Handleiding masterproef

Klik hier om de Masrterproef handleiding te downloaden


MASTERPROEF HANDLEIDING 2015-2016

Opleidingshoofd Kathleen Coessens

Kathleen.Coessens@ehb.be

Onderzoekscoördinator Kristin Van den Buys

Christine.Van.den.Buys@ehb.be

 

A. ALGEMEEN

1. Onderzoek, waarom? 

 

Inleiding – Europese richtlijnen over de academisering van het hoger kunstonderwijs. 

De academisering van de kunsten is een gevolg van Europese richtlijnen (Bologna), waarbij alle masterdiploma’s binnen het hoger onderwijs gelijkgesteld worden. De implementatie van onderzoek in het curriculum is hiervoor een voorwaarde. 

Het onderzoek in de kunsten, zoals het voor de masterproef gevraagd wordt, omvat het kunstwerk als resultaat van het artistiek onderzoek. Het artistiek onderzoek situeert zich dus voor en tijdens de realisatie van het kunstwerk. 

Het doel van de opleiding muziek is een bewuste, geïnformeerde, kritisch ingestelde musicus te creëren die voeling heeft met de brede culturele context en die de vaardigheid bezit intuïtieve, emotionele en spirituele inhouden te hanteren en ze te integreren in de realisatie van een kunstwerk.

Inhoudelijk stelt het artistiek onderzoek in het KCB de volgende aspecten centraal:

- het verwerven van kunde en kennis

- de vaardigheid intuïtieve, emotionele en spirituele inhouden te hanteren

- de integratie van deze elementen in wisselende proporties, resulterend in de realisatie van een kunstwerk dat zich positioneert ten opzichte van de brede maatschappelijke context.

 

2. Onderzoek, wat? 

Elk onderzoek - of het nu in, over of door de Kunsten is - verloopt in drie stappen. Voor het onderzoek in de Kunsten, moeten de eerste twee stappen geïllustreerd en geëxpliciteerd worden.

a. Onderzoeksvraag

b. Onderzoeksproces

c. Onderzoeksresultaat 

 

a. Onderzoeksvraag

De onderzoeksvraag binnen artistiek onderzoek is een artistieke probleem- en/of vraagstelling met betrekking tot het zoekproces en het artistiek eindresultaat. 

Bij de uitvoerende kunstenaars is één van de meest fundamentele onderzoeksvragen: “Hoe kom ik tot een gefundeerde, in het culturele landschap ingebedde artistieke uitvoering?“ 

Voor de scheppende kunstenaars luidt deze onderzoeksvraag: “Hoe kom ik tot een gefundeerde, in het culturele landschap ingebedde artistieke schepping?”

 

b. Onderzoeksproces

In tegenstelling tot wetenschap speelt kunst zich vaak af in het verrassende, het onvoorspelbare en het niet-systematische. Daarom is de ontwikkeling van een systematische onderzoeksmethode voor kunst niet relevant, niemand is geïnteresseerd in steriele en zogenaamde “academische” kunst. De onderzoeksmethode in de kunsten kan wel omschreven worden als een individueel en intuïtief zoekproces naar een coherent artistiek resultaat. 

Nadat je een duidelijke onderzoeksvraag hebt geformuleerd, ga je op een systematische manier op zoek naar relevante bronnen. Als masterstudent moet je in staat zijn om de meest relevante bronnen -  die te maken hebben met jouw interpretatie van het recital/kunstwerk – te vinden en te verwerken. Dan ga je na hoe je de gevonden informatie kan gebruiken voor je interpretatie of kunstwerk. Welke bronnen je raadpleegt hangt dus af van je probleemstelling. Als masterstudent moet je op een zelfstandige wijze een recital/kunstwerk kunnen voorbereiden met alle probleemstellingen die zich hierbij voordoen: van artistieke, organisatorische, psychische en fysische aard, time management enzovoort. De voorbereiding van het recital/kunstwerk, het onderzoeksproces, wordt dus sterk gestuurd door de bronnen die geraadpleegd worden zoals concerten, opnames, gesprekken, analyses, literatuurstudie….   

Dit onderzoeksproces omvat ook een interactie tussen het geanticipeerde onderzoeksresultaat (recital/kunstwerk) enerzijds en anderzijds de artistieke inspiratie en impulsen van het moment. Elk recital/kunstwerk is een toetssteen van je onderzoeksproces. 

Om dit hele proces te doen gelden als onderzoek, moet dit zoekproces geëxpliciteerd worden in een schriftelijk onderzoeksverslag. Dit kan eventueel ondersteund worden door dragers van andere media als cd, video enz. Dit schriftelijk onderzoeksverslag, wordt mondeling toegelicht tijdens een  gesprek met de examenjury.

Het is belangrijk dat de student kan reflecteren en communiceren over zijn artistieke uitgangspunten, keuzes en doelstellingen zodat zowel het proces als het resultaat kan beoordeeld worden door de jury. Bovendien zal de coherentie tussen het onderzoeksproces, het eindrecital en het gesprek doorslaggevend zijn voor de beoordeling door de examencommissie.

 

c. Onderzoeksresultaat

Het onderzoeksresultaat is de realisatie van het kunstwerk zelf (het recital, de compositie, de fuga, het koraal enz.).

 

3. De masterproef

De masterproef bestaat uit twee componenten

    • - een schriftelijk en mondeling onderzoeksverslag: bevat de onderzoeksvraag en het onderzoeksproces
    • - een praktische proef of recital(s): het onderzoeksresultaat 
Het onderzoeksverslag beschrijft de onderzoeksvraag en het onderzoeksproces met de gehanteerde bronnen. Het bevat dus alle ervaringen, bevindingen en conclusies van het onderzoeksproces. De evolutie van de voorbereiding van het recital/kunstwerk is op die manier stap voor stap terug te vinden. Het schriftelijk onderzoeksverslag wordt verder mondeling uitgediept tijdens het gesprek (15 minuten)met de examenjury. Dit gesprek vindt plaats na het eindrecital en zonder publiek. Denk tijdens de redactie van het schriftelijke onderzoeksverslag ook al na hoe je dit mondeling kan toelichten tijdens het gesprek.

Het schriftelijke en het aanvullende mondelinge onderzoeksverslag maken 20% uit van het uiteindelijke resultaat van het hoofdvak. Hoe beter je je voorbereidt, hoe beter je resultaat van je recital/kunstwerk (80% van de punten) zal zijn! 

Het recital wordt opgenomen, het interview niet. Het schriftelijke onderzoeksverslag en de opname w ww orden bewaard als bewijsstuk van de afgelegde masterproef. 

Voor Muziektheorie/schriftuur, compositie en jazz gaat dit onderzoeksverslag gepaard met een portfolio. Dit is de verzameling van alle werken, geschreven voor de masterproef. De inhoud van het portfolio verschilt per studierichting. De juiste informatie vind je verder in deze handleiding onder B. De Masterproef specifiek per afstudeerrichting.

 

4. Algemene structuur en inhoud van het schriftelijke onderzoeksverslag 

Het schriftelijke onderzoeksverslag bevat drie delen:

Deel 1: onderzoeksvraag en verantwoording

Deel 2: Beschrijving van het onderzoeksproces

Deel 3: Lijst met relevante bronnen

 

Deel 1. Onderzoeksvraag en verantwoording

 

a. Onderzoeksvraag: wat ga je precies onderzoeken?

De onderzoeksvraag of probleemstelling is niets anders dan zeggen ‘wat het probleem is’ of ‘wat je gaat onderzoeken’ 

 

De onderzoeksvraag is voor elke afstudeerrichting anders:

 

- Muziektheorie/Muziekschriftuur: 

 “Hoe kom ik tot een gefundeerde, in het culturele landschap ingebedde artistieke schepping, namelijk een fuga, koraal of de analyse ervan?”

 

- (Jazz)Compositie: 

“Hoe kom ik tot een gefundeerde, in het culturele landschap ingebedde artistieke schepping, namelijk een compositie?”

 

- Directie, Instrument/Zang, kamermuziek en Jazz/Lichte Muziek: het programma van het recital

Hoe kom ik tot een gefundeerde, in het culturele landschap ingebedde artistieke uitvoering, namelijk het recital?“ 

  

Hoe noteer je deze programma-/portfoliogegevens?

 

Voornaam Naam, (datum), titel, toonaard, opus nummer of andere aanduiding (datum)

Aantal delen

Voorbeeld:

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791), concerto in C, voor piano en orkest, nr. 8, KV 246 (1776)

Allegro aperto

Andante

Tempo di Minuetto

 

b. Verantwoording: waarom ga je het onderzoeken?

 

Wat was de drijfveer voor het kiezen van deze werken voor je recital en in welke context heb je deze geplaatst?

Uiteraard kies je als musicus voor je eindrecital werken die je mooi vindt of maak je een kunstwerk waar je je volledig in terug vindt. Maar er moet meer zijn. Ongetwijfeld zijn er ook objectieve en rationele redenen. Welke artistieke identiteit wil je aan de jury tonen? Is dit werk misschien een uitgelezen stuk om je sterke kanten te tonen (qua sonoriteit, techniek,…)? Sluit dit werk aan bij een ander werk dat je al geprogrammeerd hebt of heb je net een werk nodig om een gevarieerd, aangenaam recital te kunnen samenstellen? Is het werk waardevol voor jouw artistieke ontwikkeling? Plaats het werk ook in een ruimere context. Wat kan het bijbrengen in het Kunstenveld in het algemeen? Misschien is het werk onbekend? Misschien wil jij er een heel aparte interpretatie aangeven? Verdient dit recital een plek in de actuele, artistieke scene? Kortom een formulering van je persoonlijke motivatie en een situering van je recital/kunstwerk in de bredere culturele context. 

 

Deel 2. Beschrijving van het onderzoeksproces


Hierin wordt het onderzoeksproces dat aan je recital/fuga/koraal/compositie voorafgaat, beschreven in globale zin. De evolutie van het proces is hierbij belangrijk. Hierin moet je laten zien dat je de relevante bronnen voor je onderzoek kan vinden en dat je er kritisch mee kan omgaan. Verder moet je verantwoorden op welke wijze ze je artistieke keuzes hebben beïnvloed en hoe je dan uiteindelijk tot je resultaat kwam. De coherentie tussen dit onderzoeksverslag en het recital is belangrijk.

Het is niet de bedoeling wetenschappelijke kennis op zichzelf, zoals biografische gegevens en/of analyses van werken, in het onderzoek over te nemen, wel is de bedoeling de relevante informatie hieruit te bespreken. 

De voorbereiding van het recital/portfolio is erg persoonlijk, iedereen zal andere accenten leggen. De voorbereiding van een artistieke prestatie bestaat uit verschillende facetten en zal onderzoeksmatig dus op uiteenlopende manieren benaderd en beschreven worden. Je onderzoek is opgebouwd uit meerdere invalshoeken met steeds als voornaamste uitgangspunt je muzikale groei en ontwikkeling: Hoe zijn je gekozen werken geëvolueerd? Waarom? Dit impliceert onder andere volgende onderdelen:

De aard van je uitvoering is het vertrekpunt en blijft de belangrijkste benadering, dit kan onder andere een verantwoord idee over artistieke uitvoeringspraktijk, tempo, dynamieken, onderliggende emotie, je veranderende visie doorheen het studieproces, etc. bevatten

De technische moeilijkheid die je eerst hebt moeten oplossen alvorens je een hoogwaardige uitvoering kan brengen. Werd er in de compositie bv. geen rekening gehouden met moeilijk grepen/vingerzettingen/modulaties? Zijn er bepaalde technieken die je eerst apart meester hebt moeten maken en hoe heb je dit stap voor stap aangepakt. 

Een derde laag zou kunnen zijn fysische problemen. Werd je in je studietijd beperkt om fysische redenen? Heb je je houding/mondstand moeten veranderen? Etc.

Je kan zelfs nog verder gaan en bijvoorbeeld eventuele psychische problemen bespreken. Had je podiumvrees en heb je deze kunnen oplossen? 

Let wel, de facetten hier vermeld zijn indicatief, deze onderdelen moeten niet allemaal voorkomen en zijn ook niet beperkend. Heb je een ander uitgangspunt, vraag even na of dit ook mogelijk is. Alle lagen van je onderzoek moeten in direct verband staan met je recital, tot uiting komen in je recital en traceerbaar of aantoonbaar zijn d.m.v. bronnen. 

 

Deel 3: Bronvermelding

De gehanteerde bronnen moeten worden vermeld omdat het onderzoekstraject traceerbaar moet zijn. Dit is belangrijk omwille van een aantal redenen. Ten eerste laat het toe een beeld te vormen van het artistiek proces dat tot het kunstwerk leidt: hoe worden de gehanteerde bronnen geïnterpreteerd? Ten tweede heeft het te maken met het respect voor de auteurs en het intellectuele eigendom. Ten slotte kunnen de referenties naar de gehanteerde bronnen zoals historische documenten, boeken, artikels, opnames, workshops, concerten enz. andere uitvoerders/ componisten/ theoretici/ musicologen/ melomanen e.a. interesseren wanneer zij een gelijkaardig of verwant artistiek proces willen realiseren.  

De wijze waarop de bronnen moeten vermeld worden, moet beantwoorden aan een bepaalde format. Belangrijk is dat alle identificerende gegevens van de bron vermeld worden. Er bestaan verschillende formats. Welke format je kiest is niet zo belangrijk, wel dat eenzelfde format consequent wordt gehanteerd. 

Hieronder vermelden we een eenvoudige, overzichtelijke manier om bronnen te vermelden, die aansluit bij de principes van de Music Library Association (US): 

Een boek: AUTEUR, P. S., titel van het boek, Plaats, uitgever, 2009, aantal pagina’s.

Een artikel: SCHRIJVER, P.S. & A. ASSISTENT, De titel van het artikel in De titel van het boek of het tijdschrift, Volume 14 n° 6 of Plaats: Uitgever, 2009, pp.57-81.

Cd’s, Dvd’s en ander beeld- en klankmateriaal:

COMPONIST, P.S, Titel van de CD, [uitgevoerd door], A. Uitvoerder, Plaats, Label, 2010, Cd-nummer. 

Voorbeeld: Mozart, Wolfgang Amadeus, Don Giovanni, Libretto by Lorenzo da Ponte, [performed by] Eugene and Herbert Perry, Dominique Labelle [et al.], Arnold-Schönberg-Choir, Wiener Symphoniker, Craig Smith [conductor], Peter Sellars [director]. London, Decca, cop. 1991, 071 4199. 2 videos + booklet.

Internetbronnen: vermeld de auteurs, titel, URL (Uniform Resource Locator) en access datum: 

Koninklijk Conservatorium Brussel, http://www.kcb.be/pages_bib_nl/frw/home.htm, accessed 15 July 2008.

Concerten: COMPONIST, P. S., Titel, uitgevoerd door A. Uitvoerder, Stad, zaal/organisatie, datum.

Voorbeeld: Brussel, Koninklijk Conservatorium, 2 november 1976

Voor meer gedetailleerde richtlijnen verwijzen we naar de handleiding bronnenreferentie.

 

5. Beoordelingscriteria van het recital/kunstwerk en het schriftelijke en mondelinge onderzoeksverslag.

 

De jury beantwoordt de volgende drie vragen in een juryrapport:

 

1. Het programma en de uitvoering ervan steunen op grondig en methodisch artistiek 

onderzoek. De gebruikte bronnen zijn van goed niveau, voldoende omvangrijk en 

omvatten recente informatie (ook internationaal). 

 

2. De student kan reflecteren en communiceren over zijn artistieke uitgangspunten, 

keuzes en doelstellingen. Onderzoek, artistieke prestatie en interview zijn coherent, 

zij vormen een sluitend geheel. 

 

3. Beroepsspecifieke competenties per afstudeerrichting: 

    • Instrument: podiumprésence, technische beheersing, artistieke expressie, stijlkennis en instrument specifieke competenties (bijvoorbeeld kennis van stemtype bij zang). 
    • Theorie en schriftuur: technische beheersing en inzicht, stijlkennis, originaliteit, artistieke expressie en kwaliteitsbewustzijn. 
    • Compositie: technische beheersing, eigen taal, originaliteit, stijlkennis en artistieke expressie. 
    • Directie: technische beheersing, stijlkennis, artistieke expressie, kennis partituur, contact met orkest. 
    • Jazz: podiumprésence, technische beheersing, artistieke expressie, stijlkennis, groepsintegratie, kwaliteit en originaliteit in improvisatie.

 

6. Promotor en timing

De voorbereiding van je recital/kunstwerk en het onderzoeksverslag (schriftelijk en mondeling) gebeurt onder leiding van je hoofdvakdocent. De timing van het onderzoeksproces wordt dan ook in samenspraak met je docent afgesproken. Indien je hulp wenst van docenten van nevenvakken zoals muziekgeschiedenis, cultuurgeschiedenis, analyse, schriftuur en (praktische)harmonie, vraag je dit aan hen. De verwerking van deze gevonden informatie in functie van je recital/kunstwerk gebeurt het beste met je hoofdvakdocent.   

Het schriftelijke onderzoeksverslag dient ten minste drie weken vóór het laatste recital in zeven exemplaren ingediend te worden op het studentensecretariaat en ook in elektronische vorm in pdf naar ivan.verheyen@ehb.be.


B. DE MASTERPROEF SPECIFIEK PER AFSTUDEERRICHTING

 

1. Afstudeerrichting Schriftuur/Theorie

 

Muziekschriftuur

 

Het praktische deel van de masterproef bestaat enerzijds uit twee proeven muziekschriftuur conform de gestelde examenvereisten van de opleidingsonderdelen Fuga I en Fuga II. De beide proeven muziekschriftuur en het portfolio (jaarwerk fuga) getuigen van theoretische en technische kennis, van de nodige schrijfvaardigheden alsook van stilistische visie en creatieve rijkheid. Het onderzoeksverslag geeft toelichting over de studie van de belangrijke fugatypes uit de muziekliteratuur. Hiernaast dient tevens de impact van belangrijke geraadpleegde traktaten en naslagwerken aangetoond te worden. De artistieke relevantie van het portfolio wordt hier tevens aangetoond, dit aan de hand van de analyse van het aangewend muzikaal materiaal kaderend in het algemeen architectonisch concept.

 

Enkele richtlijnen en suggesties voor het opstellen van het onderzoeksverslag: 

 

Specifieke aspecten

- subject: opgelegd subject, bestaand subject (eigen keuze, waarom), eigen subject 

            (hoe tot stand gekomen)

- vocale of instrumentale fuga – waarom

- mutatie volgens de ‘gangbare’ wetten of afwijkend

- aantal stemmen (twee-, drie-, vier-, vijf- of zesstemmig) - waarom deze keuze?

- persoonlijke visie op subject door eigen contrasubject en Codetta

 

Algemene structuur en vorm

Structurele componenten/verschillende hoekdelen, synthese, proportie, syntaxis

- waarom dit vormconcept

Uitwerking volgens opgelegd academisch model (schoolfuga)

Uitwerking naar bestaand model (welk werk/componist)

Uitwerking volgens eigen concept (welke werken waren nuttig/ inspirerend/ 

Toelichtend) toevoeging van persoonlijk accent

- toelichting bij de specifieke aspecten van elk afzonderlijk hoekdeel

Exposities: hoeveel exposities - aantal inzetten per expositie - stemkeuze (tessituur, variatie, muzikale expressie) - toonaardkeuze - volgorde inzetten - contrasubject(en) - diverse verschijningsvormen subject (omkering, verkleining, vergroting) - stretto toepassing

Divertimenti/brugpassages: keuze van elk element (waar komt het vandaan) - onderlinge combinatie en creatieve verwerking van de elementen - enkelvoudig, dubbel of drievoudig contrapunt - plaatsing van de elementen (symmetrisch of volgens procédé van de schoolfuga) - welke kwintencirkel of ander modulatieschema

Stretti: structuur van elke stretto expositie - diverse verschijningsvormen subject (omkering, verkleining, vergroting) – ware stretto

Pedaalvorming dominant/tonica: karakteristieken en persoonlijke uitwerking 

 

stijlconcept

Motivering van de aangewende stijlfiguren versus de algemene begrippen van stijlconcept

 

polyfone schrijftechnieken

Toelichting bij de contrapuntische schrijfwijze/lineariteit

- specifieke probleemstelling van dubbel en drievoudig contrapunt

- stemvoering in functie van onafhankelijkheid/evenwaardigheid van de diverse 

     stemmen

 

Muziektheorie

 

Het praktische deel van de masterproef bestaat uit een geschreven proef ‘Contrapuntisch Koraal’ en de procedure ‘Analyse Contrapunt’ conform de gestelde examenvereisten van de opleidingsonderdelen Contrapunt II en Analyse Contrapunt. De examenproef en het portfolio (jaarwerk contrapunt en analysewerkstukken) getuigen van theoretische, technische en muziekhistorische kennis alsook van de nodige schrijfvaardigheden, stilistisch inzicht en creativiteit. De neergeschreven conclusie van het onderzoeksverslag geeft toelichting over de onderzoeksgerichte studie van de contrapuntische fenomenen en de polyfone vormstructuren binnen een muziekhistorische context. Daarenboven wil dit document de artistieke relevantie van de realisaties aantonen aan de hand van een ontleding van het aangewend muzikaal materiaal.

 

1. Eigen werkstukken

 

- koraalopgave: opgelegd koraal, bestaand koraal (motivatie keuze) 

- oorsprong koraalmelodie: historiek 

- persoonlijke visie op elke koraalzin: eigen versierd thema en nevenmotieven 

   (harmonie, ritmisch en/of melodisch karakteristiek, expressie, variatie)

 

De harmonisatie

Diverse harmonische interpretaties van elke koraalzin: waarom deze harmonisatie 

  (kleur, variatie, expressie)

 

Algemene structuur en vorm 

Structurele componenten/verschillende hoekdelen, synthese, proportie, syntaxis

- waarom dit vormconcept

Uitwerking naar/geïnspireerd op bestaand model (welk werk/componist)

Toevoeging van persoonlijk accent

- toelichting bij de specifieke aspecten van elk afzonderlijk hoekdeel 

Exposities: toonaardkeuze - volgorde inzetten - stemkeuze (fugatische structuur, tessituur, variatie, muzikale expressie) - diverse verschijningsvormen van thema (omkering, verkleining, vergroting) - contrapuntische verwerking (diverse combinaties, stretti) 

Cadensen: verschillende types - welke, waarom, naar model uit literatuur - welk werk/componist, hoe zelf uitgewerkt

Brugpassages: - welk modulatieschema - keuze van element(en) - onderlinge combinatie en creatieve verwerking 

Pedaalvorming tonica: karakteristieken en persoonlijke uitwerking

 

Stijlconcept

Motivering van de aangewende stijlfiguren versus de algemene begrippen van stijlconcept

 

Polyfone schrijftechnieken

Toelichting bij de contrapuntische schrijfwijze/lineariteit

- toepassing van diverse polyfone schrijftechnieken 

- stemvoering in functie van onafhankelijkheid/evenwaardigheid van de diverse 

    stemmen

 

2. Analysewerkstukken – commentariëren van literatuurvoorbeelden

 

- opgelegd werk of werk naar eigen keuze (motivatie keuze) 

- situering van het werk binnen de muziekhistorische context en evolutie

- situering van het werk binnen de stijlperiode waarin het werd gecreëerd 

   typische stijlkenmerken voor de periode en/of componist 

   specificeren van de contrapuntische taal: modaal, tonaal, posttonaal 

- de diverse contrapuntische structuren/elementen blootleggen en toelichten

- de punten aangehaald onder ‘1. Eigen werkstukken’ vormen hierbij de leidraad 

 

2. Afstudeerrichting Compositie

 

Het praktische deel van de masterproef bestaat uit het voorleggen van de gevraagde composities, dit vormt het al genoemde portfolio.

Doorheen het onderzoeksproces wordt een kritische reflectie verwacht na elke verwezenlijking. Deze zal weergeven waar procesverbetering bij ieder werk te traceren is en hoe deze dan verwerkt wordt in een volgend werk. Opnames zijn in dit verband een meerwaarde omdat op deze manier een procesevolutie het makkelijkst te beoordelen is. 

 

Volgende items verdienen bijzondere aandacht:

 

- een verantwoording voor de keuze van de bezetting

- een motivatie voor de keuze van de taal, het concept en de vorm

- de theoretische bronnen die aangeboord werden om het werk mede te realiseren

- de meesterwerken die als inspiratiebron dienden.

 

3. Afstudeerrichting Directie

 

De masterproef bestaat uit een praktische proef waarbij de masterstudent een orkest/ensemble dirigeert in een opgelegd programma waarin hij/zij zowel de repetities als het concert leidt.

 

Het (schriftelijk en mondeling) onderzoeksverslag bevat de onderzoeksvraag en de beschrijving van onderzoeksproces. Dit onderzoeksproces verloopt in twee fases: eerst de persoonlijke voorbereiding en nadien de interactie met het orkest/ensemble. Beide fases moeten aan bod komen in het onderzoeksverslag: het persoonlijke voorbereidingstraject in het schriftelijke onderzoeksverslag en de interactie met het orkest/ensemble wordt mondeling toegelicht tijdens het gesprek met de jury. 

 

4. Instrument/Zang

 

De masterproef bestaat uit het recital(s) en het onderzoeksverslag, dat de onderzoeksvraag en de beschrijving van het onderzoeksproces bevat. 

 

Dit zijn mogelijke denkpistes i.v.m. onderzoeksproces

 

- welke (inspiratie)bronnen, modellen waren nuttig?

- welke lessen of masterclasses heb ik gevolgd?

- welke uitvoeringen en concerten heb ik bijgewoond?

- welke cd’s en literatuur heb ik kritisch beluisterd of bestudeerd? 

- welke voorbereidende concerten/audities heb ik gespeeld?

- welke fundamentele technische problemen heb ik moeten oplossen 

         (klankproductie, vingertechniek, articulatie, dynamiek, tempo, intonatie, ritmiek) 

         en hoe heb ik dit gedaan? 

- waarin onderscheidt zich mijn interpretatie van die van anderen? (persoonlijke  

          artistieke inbreng op het gebied van tempo, articulatie, frasering, dynamiek) 

- waarop zijn mijn keuzes gebaseerd? (gangbare traditie, eigen artistieke intuïtie, 

         muziekhistorische situering, kennis van uitvoeringspraktijk, musicologisch 

          onderzoek van mijzelf of van anderen) 

- welk manuscript, welke oude of moderne uitgave diende als vertrekpunt; waarom 

          deze keuze? Is er sprake van een transcriptie? 

- wat heb ik daar zelf aan toegevoegd? (cadensen, versieringen: ter plaatse  

         Geïmproviseerd of voorbereid?)

 

Specifiek voor historische instrumenten:

 

- waarom is dit type van instrument gekozen?

- waarom is dit begeleidingsinstrument gekozen? 

- in het geval van basso continuo: met of zonder versterking door cello, viola da 

         gamba of fagot en waarom?

- waarom is deze stemming gekozen?

 

Specifiek voor zang:

 

- kennis van orkestratie / basso continuo en hoe je daarmee rekening houdt bij de 

         uitvoering?

- kennis van de oorspronkelijke tekst (gedicht zoals gepubliceerd, boek waarop 

         libretto is gebaseerd enz.). 

- welke plaats heeft je lied / aria in het gehele werk (opera, oratorium, cyclus)?

- voor welke zanger was het oorspronkelijk geschreven (stemtype)? 

- waarom koos je dat personage uit die opera?

- uitwerking van lichaamstaal, gebaren, kleding, zelfs make-up. 

- specifieke elementen bij repertoire contratenor.

 

Specifiek voor kamermuziek (hoofdvak):

 

Hier zal ruim aandacht besteed worden aan de groepswerking en –dynamiek.

 

5. Afstudeerrichting Jazz/Lichte muziek

 

Uitvoerende jazz & lichte muziek kunstenaar

 

Het recital voor de Masterproef bestaat uit een technische proef en een openbare proef. In een eerste technische proef zal de kandidaat twee zelfgetranscribeerde solo’s uit het geheugen meespelen met de desbetreffende historische opnames. Daarnaast zal hij/zij drie technische werken en drie jazzcomposities spelen waarover dient geïmproviseerd te worden. Tot slot omvat deze proef ook een zichtlezing en een improvisatie over het desbetreffend harmonische schema. In een tweede openbare proef speelt de kandidaat een programma van 40 min. dat hij/zij heeft samengesteld in samenspraak met de betrokken hoofdvakdocent en waarvan één compositie is opgegeven als opgelegd werk.

Het gesprek met de examencommissie zal een bevraging zijn over de onderzoeksportfolio, bestaande uit vier volledige transcripties van jazz-solo’s en het onderzoeksverslag. 

 

Luik 1 omvat het volledige programma van de recital(s). Hierbij komt een bondige argumentatie over de keuze en de volgorde van de composities. De onderzoeksvraag die hierbij moet beantwoord worden is: “Hoe kom ik tot een persoonlijke artistieke realisatie vertrekkende vanuit authentieke opnames?” 

 

Luik 2 omvat een portfolio en beschrijving van het onderzoeksproces. Dit is de explicitering van het artistieke proces dat geleid heeft tot de artistieke prestatie van het examen. Hierin komen de bronnen aan bod en de kritische wijze waarop ze in het artistieke proces verwerkt werden. Dit proces, zoals het aan bod komt in het vak heuristiek van de jazz dat vervat zit in het hoofdvak, verloopt in vijf fases: 

a.Transcriberen van vier jazzsolo’s 

b. uitgave klaar maken van de jazzsolo’s

c. uitvoeren op de eerste proef in unisono met de authentieke opname

d. muzikaal-historische analyse (melodisch-thematisch, ritmisch-vormelijk, harmonisch, contextueel…)

e.  assimileren in functie van een persoonlijke artistieke realisatie

 

De fases a tot en met d komen aan bod in het portfolio. Het artistieke proces dat leidt tot de persoonlijke artistieke realisatie van het examenprogramma wordt in het onderzoeksverslag geëxpliciteerd.

Vragen die hierbij gesteld kunnen worden zijn: 

- welke (inspiratie)bronnen, modellen waren nuttig?

- met welke problemen werd ik geconfronteerd?

- welke keuzes moest ik maken?

- welke lessen of masterclasses heb ik gevolgd?

- welke repetities of coachings heb ik gevolgd?

- welke uitvoeringen en concerten heb ik bijgewoond? 

- welke Cd’s en literatuur heb ik kritisch beluisterd of bestudeerd? 

- waarin onderscheidt zich mijn interpretatie van die van anderen? (persoonlijke artistieke inbreng op het gebied van tempo, articulatie, frasering, dynamiek) waarop zijn mijn keuzes gebaseerd? (gangbare traditie, eigen artistieke intuïtie, muziekhistorische situering, kennis van uitvoeringspraktijk, musicologisch onderzoek van mijzelf of van anderen) 

 

Scheppende jazz & lichte muziek kunstenaar 

De Masterproef bevat een openbaar concert waarbij één compositie voor klein jazzensemble, één compositie voor pianosolo, één compositie in combinatie met een andere artistieke discipline en één compositie/arrangement voor een gemengd groot ensemble live gespeeld wordt. Daarnaast presenteert de kandidaat drie werken die vooraf opgenomen zijn op CD, met name één arrangement voor bigband van een jazzstandard, één compositie voor strijkensemble en één compositie met gebruik van moderne muziektechnologische middelen.

Het gesprek met de examencommissie zal een bevraging zijn over de portfolio bestaande uit vier volledige transcripties van jazz-composities/arrangementen voor big band of een ander uitgebreid jazzorkest en het onderzoeksverslag

 

Luik 1 omvat het volledige programma van de recital(s). Hierbij komt een bondige argumentatie over de keuze en de volgorde van de composities. De onderzoeksvraag die hierbij moet beantwoord worden is: “Hoe kom ik tot een persoonlijke artistieke realisatie vertrekkende vanuit authentieke opnames?” 

 

Luik 2 omvat een portfolio en een beschrijving van het onderzoeksproces. Dit is de explicitering van het artistieke proces dat geleid heeft tot de artistieke prestatie van het examen. Hierin komen de bronnen aan bod en de kritische wijze waarop ze in het artistieke proces verwerkt werden. Dit proces, zoals het aan bod komt in het vak heuristiek van de jazz dat vervat zit in het hoofdvak, verloopt in vier fases: 

a.Transcriberen van vier jazzcomposities/arrangementen 

b. uitgave klaar maken 

c. muzikaal-historische analyse (melodisch-thematisch, ritmisch-vormelijk, harmonisch, contextueel…)

d. assimileren in functie van een persoonlijke artistieke realisatie

 

De fases a tot en met c komen aan bod in het portfolio. Het artistieke proces dat leidt tot de persoonlijke artistieke realisatie van het examenprogramma wordt geëxpliciteerd in het logboek. 

Vragen die hierbij gesteld kunnen worden zijn: 

- welke (inspiratie)bronnen, modellen waren nuttig?

- met welke problemen werd ik geconfronteerd?

- welke keuzes moest ik maken?

- welke lessen of masterclasses heb ik gevolgd?

- welke uitvoeringen en concerten heb ik bijgewoond? 

- welke Cd’s en literatuur heb ik kritisch beluisterd of bestudeerd? 

- waarin onderscheidt zich mijn compositie/arrangement van die van anderen? 

- waarop zijn mijn keuzes gebaseerd? 

 

 

Gepubliceerd onder: