DOCTORANDI IN DE KUNSTEN EN ONDERZOEKERS

Doctorandi in de kunsten en hun onderzoek:

Kurt Bertels. De ontsluiting en contextualisering van de Brusselse saxofoonschool tussen 1867 en 1903: naar een historisch verantwoorde uitvoeringspraktijk. 

Historically informed performance practice (HIPP) is a major concept in today's music life. At first, its scope was restricted to Early music. Nowadays, this performance practice is being gradually applied to even twentieth century music. The essence of this concept is a historical awareness of music performance, which is still not common in the saxophone area. In order to fill this gap, the goal of this project is an in-depth artistic and theoretical research into the HIPP and the cultural- historical context of the scores for the Brussels Saxophone School, the world's first saxophone school, between 1867 and 1903.

My project consists of three components. In the first part, I will formulate a critical and theoretical synthesis of ongoing definitions and applications of HIPP. In the second part, by means of historical sources related to the school of that period (music periodicals, instrumental methods, historical recordings, historical instruments), I will gain insight into the playing techniques and style as well as into the cultural-historical and international context. Two representative case studies (Nazaire Beeckman and Paul Gilson) will concretize my investigations. The third and final part of this research will be to perform the Brussels solo and chamber music scores for saxophone in a historically informed way. A theoretical and practical approach will thus inspire each other and will allow me to go further than mere musicology or saxophone studies would do.

Pierre Bibault. Bepalen, exploreren en verbeteren van de gestiek van de gitarist. De microgestiek in stukken voor klassieke en electrische gitaat, geschreven tussen 1977 en morgen. 

Het onderzoek wordt verdeeld in drie delen:
-Een eerste gedeelte stelt een definitie van gestiek en van microgestiek voor.

-Een tweede deel is een directe toepassing van dit proces op de performer: met een select repertoire van hedendaagse gitaarstukken, exploreer ik nieuwe manieren om gitaartechnieken te verbeteren. Mijn doel is de technieken ‘opnieuw uit te vinden’ door te bewijzen dat ze niet bestaan op zichzelf, maar enkel door de gestiek en de microgestiek, in directe verbinding met het idee van de componist. Dit behelst nieuwe manieren om muziek te schrijven (notatie van gestiek) en om te decoderen; dus ook compositieopdrachten aan componisten en premières van nieuwe muziek.

Een andere directe toepassing is de relatie met pedagogie: deze exploratie van mezelf als performer, die nieuwe relaties en connecties met het lichaam ontdekt, laat me toe een nieuwe methode te formuleren om het instrument te onderwijzen, minder verbonden met de noot zelf maar meer gericht op de muziek en het geluid.

Het derde deel impliceert het gebruik van computertechnologie: met 3D sensors ben ik direct verbonden met mijn eigen gebaren, die zelf muziek gaan creëren: dit is een reflectie over de toekomst en een oplossing voor de muzikant van morgen om verbonden te blijven met de nieuwe wereld, de nieuwe maatschappij en het gebruik van nieuwe technologieën.

Igor C Silva. Nieuwe vormen van interactie tussen instrumenten en electronica.

Sleutelwoorden: mixed music- instrumenten & elektronica- interactie- programmeren

In het huidige landschap van het componeren en brengen van mixed music steken specifieke problemen de kop op die inherent zijn aan de specificiteit van dit soort praktijk. Problemen zoals de synchronisatie tussen de uitvoerder en de elektronica, de complexiteit van digitale interfaces en de noodzaak aan een akoestische samensmelting tussen de twee, zijn enkele van de belangrijkste zaken waarover gediscussieerd wordt in het academisch onderzoek over dit veld.  Dit project beoogt nieuwe systemen te ontwikkelen die simpele, praktische en intuïtieve antwoorden zullen geven op de problemen die inherent zijn aan mixed music. Om deze vragen met de nodige bagage aan te pakken, zal ik zowel een bibliografisch onderzoek doen alsook een uitgebreide analyse maekn van tien werken van verschillende componisten. Om nieuwe antwoorden te vinden op de hierboven vermeldde vragen, componeer ik vijf nieuwe werken, die deze problemen kunnen oplossen of betere inzichten kunnen verschaffen in het probleemoplossend proces. Deze werken zullen in een latere fase uitgevoerd worden met als doel het testen van de validiteit of de afdwingbaarheid van de gecreëerde processen. Tenslotte wil ik met de werken nieuwe benaderingen creëren en systematiseren in de compositorische en performatieve praktijk, in de hoop bij te dragen tot de artistieke en academische ontwikkeling van het mixed music scenario.

Filippe Caporali. Crossing Universes - improvisatie met de strijkstok door het samenbrengen van klassieke muziek en jazz.

Als jazzmuzikant, beschouw ik het gebruik van de strijkstok in improvisatie als een verrijkende techniek voor het ontwikkelen van meer en rijkere muzikale mogelijkheden. Veel dubbele basspelers hebben in de loop van de geschiedenis hun eigen benadering ontwikkeld, maar het ontbreken van specifiek materiaal gewijd aan de improvisatie met de strijkstok in jazz en andere genres maakt deze praktijk onderbenut.

Deze studie wil een artistieke praktijk en een methode voor de dubbele bas ontwikkelen die jazz en klassieke muziek combineert, met een focus op improvisatie met de strijkstok. Het zou logisch lijken dat het samenbrengen van de klassieke en de jazz opleiding genoeg zou zijn om het verwachtte resultaat te krijgen. Maar de verschillende manier van fraseren, vocabularium, geluid en de nood aan flexibiliteit om “on spot” te componeren, te reageren op de input van het moment, creëert bepaalde problemen die de tools die aangereikt in de jazz- en de klassieke muziekopleiding niet altijd kunnen oplossen.

Om deze tools te kunnen aanreiken, wil dit onderzoek beide tradities combineren door de gemeenschappelijke kenmerken als vertrekpunt te nemen. Ik zal materiaal van bestaande methodes gebruiken en nieuwe oefeningen voorstellen om de noodzakelijke techniek, flexibiliteit, vocabularium, musicaliteit te kunnen ontwikkelen. Ik zal de solo’s en stijlen van de meest representatieve muzikanten analiseren en improvisatie implementeren in de dagelijkse praktijk, wat een erg efficiënte manier is om elke muzikale taal te verbeteren vergeleken met studies die enkel gebaseerd zijn op herhaling. De output van dit artistiek onderzoek zal de ontwikkeling van een methode voor dubbele basspelers zijn, evenals live muziek die de relevantie van dit onderzoek aantoont voor mijn eigen stijl van improviseren en spelen.

Nuno Cernadas. Alexander Scriabins tien Piano Sonates: een interpretatieve reis door zijn muzikale kosmos.

Alexander Scriabin (1872-1915) was een revolutionaire componist die, door een betekenisvolle evolutie in zijn muzikale taal, een manier vond om zichzelf te bevrijden van de restricties van tonale muziek en de overgang maakte naar een ongeremde vorm van muzikale creatie. Twee met elkaar verbonden elementen die deze snelle transformatie versnelden waren het zich ontwikkelende mysticisme van Scriabin en zijn perceptie van kleur als de visuele pendant van geluid, tot stand gebracht door ofwel synesthesie of door een bewuste artistieke intentie.

Mijn onderzoek zal de kleur- en geluidssymbiose van Scriabin en zijn relatie tot mystieke filosofie bestuderen, zoals in Prometheus op. 60, om deze ideeën toe te passen op de creatie van een origineel multisensorisch concept voor de live uitvoering van zijn tien pianosonates. Het onderzoek zal focussen op de mystieke filosofieën die Scriabin beïnvloed hebben, hun historische en culturele betekenis in het vroege 20ee eeuwse Europa en hun rol in de ontwikkeling van de stijl van de componist. Ik zal een nauwkeurig onderzoek doen van Prometheus op.60, zijn eerste poging om een multisensorieel kunstwerk te produceren, waarbij kleur en muziek vermengd worden in een transfiguratief meesterwerk. Muzikale interpretatie en uitvoeringsvraagstukken zullen ook van centraal belang zijn in dit onderzoek.

Met de synesthetische exploratie van Scriabins tien pianosonates heeft dit project tot doel een meeslepende muzikale en optische ervaring te creëren, één die niet enkel de visionaire intenties van de componist volgt, maar ze ook verder zet.

Lambert Colson. Een nieuw licht op de performance praktijk van de Cornetti in de 16e en de 17e eeuw. 

De Kornet is een instrument dat bekend is in de wereld van de oude muziek en dat geregeld bespeeld wordt in grote festivals en concertzalen. De uitdaging ligt dan ook niet meer in de herontdekking van een vergeten instrument. Tegelijkertijd hebben de historische speelpraktijken en tradities maar zeer uitzonderlijk een invloed op de speelpraktijd van de Kornet vandaag.

Dit doctoraatsonderzoek focust op drie geografische plekken: Kassel, Verona en Graz. Deze studie zal een specifiek repertoire linken aan muzikanten en bewaard gebleven instrumenten met als doel de sterke lokale tradities in een beperkt tijdsframe te bekijken. Er zullen fac similes van enkele bewaard gebleven instrumenten gemaakt en bestudeerd worden.

Het eerste deel van het onderzoek zal gewijd worden aan het Hof van Kassel ten tijde van Moritz van Hessen- Kassel (1592-1627) en zal het repertoire van de Cornetti Mutti, alsook de instrumenten die in Leipzig bewaard werden, de Kasseler Zinken, bestuderen. Eén van deze instrumenten draagt het merkteken van Georg Graumann, een veelgeprezen kornetspeler die actief was aan het Hof van Kassel.

Het tweede deel van het onderzoek focust op Verona en de instrumenten en partituren die bewaard werden in de Accademia Filarmonica di Verona.

Het derde deel zal gewijd worden aan Graz en het manuscript Ms. A.R. 775-777.  Dit wordt bewaard in de Bischöfliche Zentralbibliothek in Regensburg en linkt het repertoire met bewaard gebleven instrumenten uit Wenen en Berlijn.

Jan De Winne. Op zoek naar een verloren klank. 

Het onderzoek zal zowel de creatieve aspecten van het kopiëren van 18e eeuwse fluiten behandelen, als de keuzes die een muzikant maakt wanneer hij een concert brengt in de geest van van de Historical Informed Performance Practice. Twee case studies van fluiten gebouwd door Quantz en Palanca maken deel uit van dit onderzoek. Vertrekkend van de artisanale details van de instrumentenbouwer, zal er een meer complexe vraag van authenticiteit in het produceren en recreëren van vroege composities ontwikkeld worden.

Sarah Defrise. Joseph Jongens vergeten liederen: een interpretatiedagboek.

Joseph Jongen werd geboren in 1873 en stierf in 1953 op zeventigjarige leeftijd. Hij wordt algemeen beschouwd als één van de meest prominente Belgische componisten na César Franck. Hij was vooral bekend om zijn orgel- en kamermuziekwerken en hij componeerde meer dan vijftig liederen. De volledige verzameling liederen omvat een brede waaier van stijlen, van strofische romances tot impressionistische liederen of liederen naar de traditie van Strauss, waarbij hij teksten van bekende dichters en schrijvers op muziek zette, waaronder ook enkele beroemde zoals Baudelaire, Hellens of Verhaeren.

Niet alleen is meer dan één derde van de liederen nooit gepubliceerd of opgenomen, bovendien hoor je twee derde van de overige liederen nauwelijks ergens. Omwille van die reden besloot ik om mijn doctoraatsonderzoek te wijden aan de analyse en de interpretatie van deze liederen.

Chryssi Dimitriou. Under the spotlight of observation. 

Een voorstelling is misschien de enige kunstvorm die direct voortkomt uit het eenvoudige feit dat tijd verstrijkt. Waarschijnlijk is dit de bron van het potentieel van een voorstelling:  een momentopname waarbij wat overblijft, behoort tot het domein van het geheugen. Zoals een beeldhouwer die een sculptuur boetseert uit klei, zo boetseert de podiumkunstenaar een interpretatie, vertrekkend van momenten die oplossen in de tijd. Wat gebeurt er wanneer we een voorstelling observeren?

Experimenten in de kwantummechanica bewijzen dat de waarnemer en wat waargenomen wordt gelinkt zijn in een kwantum afhankelijkheid, waarbij de waarnemer door observatie de toestand van het geobserveerde systeem verstoort, beïnvloedt en bepaalt. De etymologie van het Griekse passieve werkwoord 'geprojecteerd worden' ('προ-βάλλομαι' in het Grieks), toont dat het een synthese is van de prefix προ- en het werkwoord 'βάλλομαι', wat letterlijk betekent geraakt, verstoord, beïnvloed, aangevallen worden. Dit werkwoord, dat de paradox van de waarnemer in de kwantummechanica bevestigt, impliceert dat geobserveerd worden betekent dat je de energie van een waarnemer ontvangt, bijna in de vorm van een aanval.

Het concept van theater zelf onthult een visueel observerende afhankelijkheid tussen performer en toeschouwer. Jacques Lacarrière merkt in zijn boek "The Greek Summer" op dat het woord theater komt van het werkwoord "theomai", wat zowel 'zien' als 'gezien worden' betekent. Het is dan ook niet toevallig dat de oude theaterarchitectuur, "uitgedrukt door de bodem en de stenen", lijkt op het beeld van een Oog.

De blik van de toeschouwer bevat als het ware een basismechanisme waarmee we uitgerust zijn om te navigeren in het leven, om ons begrip van de wereld vorm te geven op een betekenisvolle manier, en om ons een identiteit aan te meten.
Wat gebeurt er wanneer we observeren, of wanneer we geobserveerd worden en hoe kan de pure observatie van een 'het lichaam van een podiumkunstenaar in actie' tot zelfreflectie leiden terwijl het eigenlijk over de kunst van een vreemde gaat? En wat zit er achter onze capaciteit om van beelden iconen te creëren?

Yiannis Efstathopoulos. De Spaanse gitaarmuziek van de "Generatie van 1927".

Mijn onderzoek zal focussen op de systematisch exploratie van gitaarcomposities van Spaanse componisten die op grond van hun esthetische keuzes en hun stijl tot de "Generatie van 1927" gerekend worden. Mijn onderzoek zal resulteren in een publicatie en een CD-opname.

Stéphane Galland. Cultural Roots and interactions of contemporary rhythm in jazz.

Na meer dan 30 jaar onderzoek naar en ervaring met ritme en de verschillende aspecten en benaderingen van ritme in functie van de culturele, sociale, geografische, filosofische context, het zoeken naar manieren om een betere kennis van “ritme” te ontwikkelen en een universele toegang tot de verschillende zijtakken ervan te bieden, wil ik graag de talrijke elementen, die ik in de loop der jaren ontdekt hebt in mijn muziekpraktijk, verder verdiepen.

Mijn muzikale parcours heeft me de kans gegeven om in de buurt te komen en samen te werken met enkele van de grootste  ritmemeesters uit verschillende tradities: Umayalpuram K. Sivaraman uit India, Doudou N’Diaye Rose uit Afrika, Misirli Ahmet uit Turkije, het trio Chemirani uit Iran, evenals talrijke percussionisten, als andere instrumentalisten en zangers uit Bulgarije, Egypte, Spanje, Syrië, Irak, Griekenland, de Verenigde Staten, Mauritius, Algerije, Tunesië, Israël, Palestina enzovoort. Dankzij mijn dubbele vorming als klassieke percussionist én jazz drummer en door het feit dat ik in allerlei muzikale contexten gespeeld heb (zowel in jazz, rock, pop, klassiek, hedendaagse muziek, barok, funk en natuurlijk ook wereldmuziek), heb ik mijn eigen tools kunnen ontwikkelen om elke gedachte achter elke specifieke ritmische benadering te decoderen.

Deze lange muzikale en interculturele ervaring (die zich nog steeds verder zet) heeft me geholpen te begrijpen welke elementen, welke sleutels toelaten van één ritmische wereld naar een andere te gaan, van één gedachte naar een andere, van één gevoel naar een ander en gemeenschappelijke wortels te ontdekken van al deze ritmische zijtakken.

Maria Gonzalez. Theoretisch en artistiek onderzoek over de basso continuo praktijk in Venetië tussen 1590 en 1630 gebaseerd op de fundamenten van het contrapunt. 

Met het onstaan van de Basso continuo, maakten ook een paar muzikale genres een ontwikkeling door. Elk genre vraagt een verschillende manier van het spelen van basso continuo. Alhoewel de verschillende genres (zoals instrumentale muziek met sonates en canzona's of sacrale en vocale muziek) allen de contrapunt regels volgen, verschillen ze toch wat betreft het concept van de compositie.

Historische bronnen verschaffen ons veel informatie, maar vaak wordt die gepresenteerd op een erg pedagogische manier, zoals we het vandaag gewoon zijn, terwijl de inhoud van de historische bronnen zelf nooit erg expliciet is. 

Er zit nochtans veel impliciete kennis in die historische bronnen en ook in het repertoire zelf. Als we in beschouwing nemen hoe begaafd en geschoold de performers in dat tijdperk waren, dan lijkt het moeilijk voor hedendaagse klavierspelers om een repertoire te spelen dat zo een diepe kennis van het contrapunt vraagt, zoals in de instrumentale canzona's, motetten en sonates. Een goed voorbeeld is de uitvoering van de Fontana Sonates (jaren 1640) die verschillende baslijnen en variaties bevatten alsook basso continuo solo's die een contrapunt vereisen dat kan vergeleken worden met de voorbeelden beschreven door Spiridionis (1670). Dit maakt het moeilijk om duidelijke grenzen vast te leggen tussen basso continuo enerzijds en compositie anderzijds.

Volgens Dalla Casa (jaren 1580) zouden dimunities uitgevoerd moeten worden door zangers, blaasinstrumenten, maarook door klavierspelers. Hij is de enige componist die klavierspelers vermeldt in een verhandeling over dimunities. Heel wat vragen blijven nog onbeantwoord: aan welk type van composities refereert hij? Wat wordt er bedoeld met “ klavierdimunities”? Hoe konden klavierdimunities gecombineerd worden met een solo stuk? Konden dimunities ook gebruikt worden in composities met basso continuo?

Dit doctoraatsonderzoek wil een licht werpen op de verschillende benaderingswijzes van de basso continuo praktijk in Venetië tussen 1590 en 1630. Na het beschrijven van deze verschillende benaderingen zal (met  behulp van historische bronnen en de uitvoeringspraktijken zelf) een eigen performance praktijk ontwikkeld worden. Muzikaal onderzoek zal zeer belangrijk zijn om de theoretische inzichten in een breder perspectief te kunnen plaatsen. 

De inzichten die voortkomen uit deze muzikale experimenten zullen gebruikt worden in historisch geïnformeerde uitvoeringen (concerten, recitals, opnames) die deel uitmaken van de valorisatie van en van de disseminatie van dit onderzoeksproject.

Luca Isolani. Flesh and wood: exploring body, time and space in guitar performance. 

The tacit or even embodied knowledge is a knowledge we experience trough our own body even though in our mind this is not clearly represented.
The tacit knowledge triangle (body-mind-experience) leads to a full rethinking of the instrumental practice opening up the Space – the sphere of action of the player – and the Time – the hic et nunc –  of the guitar performance.
How to develop the “implicit or tacit” knowledge? Further on: how to explore it? How to express it?

Christian Klinkenberg. Ontwikkeling en manipulatie van microtonaal pitch materiaal in symbiose met andere compositietechnieken en stijlen. 

Sinds de jaren 1900 begonnen meer en meer componisten zich te bevrijden van de opgelegde beperkingen van de tweestoons-stemming, versterkt door het piano als het dominante muziekinstrument sinds de zeventiende eeuw. Deze bevrijding resulteerde vaak in het ideologische gebruik van één specifiek toonsysteem. In mijn doctoraatsproject pleit ik voor een vrije microtonale benaderen door verschillende soorten microtonale concepten en technieken vrij van ideologie en dogma's te gebruiken.

Tomasz Konieczny. Symbolen, woorden, geluidsillustraties en betekenissen in de muziek van Debussy, Wolf en Scriabin.

Ik wil een manier vinden om muzikale stukken uit te voeren die toelaat de muziek te presenteren binnen zijn intellectuele en esthetische context. Muzieksessies, (andere) kunsten en gesprekken over esthetiek zijn beter geschikt dan het traditionele concert om betekenisvolle esthetische ervaringen te creëren en om de rijkdom van de Europese traditie te bewaren.

Naar mijn idee zijn de niet muzikale gedeeltes van een uitvoering even artistiek als de uitvoering zelf: de keuze van het medium gebeurt door de performer en dient om het artistieke effect te benadrukken.  Dit opent een hele nieuwe mening van de term ‘muziek interpreteren’ en het laat toe om intense, multidimensionale banden te creëren tussen de performer en het publiek.

In mijn onderzoek focus ik op de muziek van de Symbolisten (Debussy, Scriabin), omdat in hun tijd filosofie, muziek en andere schone kunsten beschouwd werden als aanvullende kanten van éénzelfde activiteit- metafysisch onderzoek. Dit maakt het onderwerp buitengewoon passend voor mijn ideeën.

Philippe Lamouris. Componeren en uitvoeren met emoties. De zoektocht naar emoties opwekkende parameters uit de laat-romantiek en technieken in het kader van de hedendaagse artistieke toepassingen. 

Het woord (term) "emotie" in de kunsten en meer in het bijzonder in de muziek plaatst ons voor een paradox. Enerzijds wordt het gebruik van het woord "emotie", over het algemeen, gemeden, anderzijds is emotie  alomtegenwoordig. Ook tijdens een muziekuitvoering. Er zijn in de klassieke muziek twee essentiële actoren: de musicus en de luisteraar. Mijn doelstelling is beiden dichter bij elkaar te brengen door zowel het emotioneel beleven van de luisteraar te doorgronden als aan de musicus de middelen aan te reiken om emoties bij de luisteraar op te wekken, te beheersen en zelfs te manipuleren.

Ik ben ervan overtuigd dat de parameters waarover de componist beschikt zoals harmonie, melodie en ritme in samenhang met de parameters waarover de uitvoerder/muzikant beschikt zoals dynamiek, tempo en frasering, het emotioneel niveau van de luisteraar beïnvloedt. Gebruik makend van "meettechnieken" zoals ATT (Aesthetic Trinity Theory) samen met de "verwachtingstheorie" (theory of expectation), wil ik onderzoeken welke parametercombinaties en technieken nu daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor de fluctuaties binnen het veld van de emotionele intensiteit. Ik zal het accent leggen op muziekpassages waarbij de luisteraar pieken van emotionele intensiteit ervaart en fysiologisch (lichamelijke) reacties laat zien zoals een huivering en verstomming.

Van zodra ik ten gronde heb begrepen welke combinatie van parameters aan de grondslag liggen van deze emotionele reacties, zal ik samenwerken met musici om mijn bevindingen toe te voegen aan hun eigen muzikale praktijk. De geschiedenis van de kunsten toont aan dat her-contextualisering van "oud muzikaal materiaal" naar een hedendaagse vormgeving de artistieke creativiteit kan versterken. Mijn eigen artistieke output zal bestaan uit: compositie voor piano, kamermuziekstukken en een pianoconcerto gecomponeerd en uitgevoerd door mijzelf. Het pianoconcerto zal bovendien gebaseerd zijn op de parametercombinaties zoals hierboven beschreven.

Korneel Lecomte. Building Bridges.

Het idee voor een artistiek doctoraat rond “Building Bridges” ontstond in de nasleep van de tsunamiramp in Fukushima, Japan, in 2011. De plotse confrontatie met de eigen machteloosheid zocht en vond een uitweg in benefietconcerten met mijn Duo in eigen land en concertreizen in Japan. Optredens in klinieken en scholen in de getroffen gebieden leidden tot een inzicht in de rol van muziek in de “echte” wereld, ver weg van de comfortzone van de opera waar ik al meer dan 30 jaar als contrabassist werkte.

Door mijn studies en activiteiten in de Oude Muziek was de keuze voor oude instrumenten zoals de Weense Contrabas en de Viola d’Amore voor de hand liggend. De zoektocht naar repertorium leidde tot arrangementen en compositieopdrachten, de Japanreizen leidden tot samenwerking met vioolbouwers en tot het ontwerp en de realisatie van nieuwsoortige demonteerbare instrumenten, de confrontatie met een andersoortig publiek bracht een dieper inzicht in de relatie tussen muzikant en luisteraar.

Het verlangen om al deze verschillende connecties samen te brengen en verder te onderzoeken resulteerde in een doctoraatsproject waarin ook nog talrijke andere brug-onderwerpen aan bod komen.

Uiteindelijk zal dit doctoraat bestaan uit verschillende blogs, CD- en DVD- opnames, een documentaire, performances en een boek getiteld “Meta Hodos - A Personal Journey and a Method for the Viennese Violone”.

Jean-François Madeuf. Historisch Geïnformeerde Uitvoeringspraktijk.

Mijn doctoraat spitst zich toe op het diepgaande artistieke en theoretische onderzoek van de trompet: de speeltechnieken en stijl, de historische context, de literatuur en het repertoire. Ik baseer me daarvoor niet enkel op historisch onderzoek maar ik zal, als muzikant, ook beoordelen of de informatie  die voor handen is in de historische verhandelingen (of andere bronnen) ook waardevol is voor de techniek van het instrument en voor de interpretatie.

Marco Mantovani. De interpretatie van Robert Schumann: tussen inspiratie en rationaliteit.

Het belang van structurele coherentie in de uitvoering van de muziek van Schumann in de pianowerken die vanaf het einde van 1836 tot het begin van 1838 worden samengesteld.

Fantasie op.17 (1836-1838)
Fantasiestucke op.12 (1837)
Davidsbundlertanze op.6 (1837-1838)
Novelletten op.21 (1838)
Kinderszenen op.15 (1838)
Kreisleriana op.16 (1838)

Mijn onderzoek zal zich richten op zes pianostukken van Schumann die gecomponeerd werden tussen 1836 en 1838 omdat ik denk dat deze periode één van de keerpunten is in zijn persoonlijke en artistieke leven. Veel van zijn belangrijkste pianowerken en enkele van de meest verhelderende voorbeelden van zijn bijzondere compositieproces en zijn formele en structurele innovaties dateren uit deze periode.

Deze innovaties en de originaliteit van Schumann`s poëtiek worden, naar mijn mening, vaak verkeerd begrepen in de hedendaagse interpretatie van zijn werken; vooral het evenwicht tussen vrijheid en beperkingen voor wat betreft tijd en structuur. 

Dit onderzoek wil deze werken benaderen vanuit het oogpunt van een uitvoerende kunstenaar. Ik neem daarbij de theoretische aspecten in overweging (de formele analyse van de werken en de studie van hoe deze geïnspireerd werden door de stijl en de psychologie van schrijvers zoals E.T.A. Hoffmann en Jean Paul) en onderneem een artistieke reis om de diepste gedachten van de componist te doorgronden, wat zal uitmonden in de uitvoering en opnames van deze werken.

Mijn uiteindelijke doel is de extreme verscheidenheid van stemmingen en visies van Schumann met een diep logische en coherente stroom te combineren, om zo dicht als mogelijk te komen tot  de ware en authentieke bron van zijn inspiratie.

Luca Piovesan. The co-composition pendulum: reevaluating the composer - performer relationship.

De accordeon is een relatief nieuw instrument in de hedendaagse muziek. In mijn eigen muzikale pratijk heb ik gemerkt dat componisten maar op erg weinig literatuur kunnen terug vallen om de werking en de sonische mogelijkheden van de accordeon te begrijpen. Bovendien is het bestaande repertoire voor accordeon zeer klein. Mijn eigen samenwerkingen met componisten werden daarom sterk gekenmerkt door een nauwe relatie tussen componist en uitvoerder, waarbij ik (als uitvoerder) een erg actieve rol opnam bij het maken van muzikaal materiaal.

Daardoor heeft mijn artistieke praktijk me heel erg bewust gemaakt van het feit dat er veel misverstanden bestaan over hoe muzikale werken gecomponeerd worden. In de klassieke muzikale traditie wordt het finale werk meestal opgehangen aan de naam van de componist (in de handtekening van de partituur, het programmablad van het concert, op de tracklijsten van een album). Maar mijn eigen ervaring is dat het finale werk meestal het resultaat is van co-creatie, vooral in de primaire fase waarin ruw sonisch materiaal wordt ontwikkeld dat als voedingsbodem dient voor de rest van het creatieproces.

In dit onderzoeksproject wi ik deze spreekwoordelijke barsten in de algemene opinie open wrikken door de werking van de accordeon nog verder voor de componist te verhullen. Hiervoor maak ik gebruik van een batterij electronische klankvervormers. Met dit gepersonaliseerd instrument zal ik nieuwe samenwerkingen opzetten met componisten. Ik zal de resultaten van de co-creatieve processen analyseren met de theoretische tools van semiotische en historische analyse. De output van dit onderzoek zal een geluidsbibliotheek voor componisten bevatten, uitvoeringen en opnames van nieuwe werken en  een geschreven verhandeling.

Piergiorgio Pirro. Spectrale technieken in de jazz performance.

Spectralisme is een reeks technieken en een houding ten opzichte van muzikale compositie die ontstond in Europa in de jaren 70, vooral door het werk van een groep Franse componisten waarvan de bekendste Gérard Grisey en Tristan Murail zijn. Spectrale muziek verlegt de aandacht van parameters zoals harmonie en melodische ontwikkeling naar manipulatie en de verkenning van timbre.

Alhoewel de spectrale mindset niet haaks staat op de manier waarop jazz muzikanten over hun muziek denken, worden deze technieken nog maar zelden in de jazz muziek gebruikt.
Het doel van het onderzoek is de toepassing van de spectrale technieken en attitudes in de praktijk van de jazz muziek te onderzoeken – zowel wat compositie als wat uitvoering betreft- vanuit het perspectief van een keyboard speler in de huidige wereld van de digitale muziek.

Ik ben geïnteresseerd in het ontwikkelen van nieuwe geluiden en harmonieën die verder gaan dan de mogelijkheden van de gelijk gestemde akoestische piano. Ik wil ook ontdekken hoe de verandering van een harmonische benadering naar een spectrale attitude de muziek die geproduceerd wordt door een jazz ensemble kan beïnvloeden.

Christophe Robert. Pierre Gaviniès (1728- 1800) of de revolutie van de viool.

Pierre Gaviniès (1728-1800) is één van de belangrijkste figuren in de geschiedenis van de viool: als speler, als artistiek directeur van het ensemble “Le Concert Spirituel”, als leraar en als componist. Terwijl hij alom bewonderd werd tijdens zijn leven is hij nu niet meer bekend, zelfs al worden zijn vioolstudies, gekend onder de naam “24 matinées”, wel nog gebruikt.

Maar Pierre Gaviniès is niet alleen de zoveelste herontdekking. Hij is een sleutelfiguur in de evolutie van het maken/ bespelen/ componeren voor de viool in de 18e eeuw. Tussen zijn eerste verschijning als wonderkind in “Le Concert Spirituel”, met een uitvoering van een Leclair duo in 1741, tot de hierboven genoemde “Matinées” in de jaren 1790, veranderde het maken van violen en het bespelen ervan veranderde compleet. De Franse Revolutie bracht een nieuw artistiek élan met zich mee en het Conservatoire de Paris werd opgericht. In dat tijdsgewricht werd de “moderne viool”, zoals we ze nu noemen, geboren in Parijs. Oude Italiaanse instrumenten reconstrueren, nieuwe strijkstokken (Tourte) en nieuwe technieken, de stad Parijs kreeg een leidende positie in Europa op het vlak van vernieuwing van de viool.

Gaviniès was een getuige en één van de drijvende krachten van deze veranderingen. Hoe, waarom en wanneer dit alles exact gebeurde, is niet enkel een vraag voor de Geschiedenis: het is een vertrekpunt om beter te begrijpen

Kostas Tosidis. Bow techniques for guitar playing: arrangements of contemporary works for cello, violin and viola played on the classical guitar.

My thesis will explore the possibilities of playing arrangements of contemporary pieces for cello, violin and viola on the guitar without losing the music’s intention or style. Translating scores originally composed for these orchestral instruments presents a challenge for any guitar arrangement, particularly when trying to find technical solutions for the use of the bow.

My initial research has focused on the cello sonata by Gyorgy Ligeti (arrangement published with Schott Music Edition). In my doctorate, I want to extend this study by working on other works which present a number of challenges to guitar arrangement, either because of length, or the long note phrasing that the guitar has difficulty imitating, or other sound effects that the composer achieves through the use of the bow.

The composers (and works) are: Iannis Xenakis (Kottos), George Crumb (cello Sonata), Paul Hindemith (viola Sonatas), Benjamin Britten (cello Suites), Zoltan Kodaly (cello Sonata) and Luigi Dallapiccola (Ciaccona, Intermezzo e Adagio), Witold Lutoslawski (Sacher Variations).
Focusing on the musical language of these composers, I will explore their composition techniques, their rhythmical and harmonic language as well as other solo instrumental works and also ensemble music.

The repertory of the guitar is poor in comparison to other string instruments and, relatedly, enjoys few prominent composers who compose for it. This research will not only extend guitar repertory into new and exciting territories, but will also test the technical possibilities of the instrument.

As part of this thorough study on the guitar technique in relation with contemporary compositional techniques , I plan to include a detailed essay combined with a DVD with technical examples and practical exercises.

My doctorate research will conclude with commissioned works by composers such as Atanas Ourkouzounov, Marios Joannou Elias, Feliu Gassul, Marko Dottlinger and Giannis Papakrassas.

http://www.kostastosidis.com/
http://miscelaneaguitarquartet.com/

Peter Van Bergen. Improvisatie, interactiviteit en instabiliteit - een artistieke zoektocht naar een interactief computer improvisatiesysteem.

Peter Van Heyghen. De uitvoering van vroeg 17e eeuwse Italiaanse Blokfluitmuziek.

Dit doctoraal onderzoeksproject spitst zich toe op de periode tussen ca. 1600 en ca.1670, een tijdperk van de Europese muziekgeschiedenis waarbinnen Italiaanse componisten en uitvoerders het voortouw namen in de ontwikkeling van nieuwe compositietechnieken, muzikale genres en uitvoeringswijzen. Aangezien ad libitum praktijken, inclusief een zekere mate van vrijheid inzake instrumentatie, vrij gangbaar waren, werd een gedeelte van het repertoire – zowel madrigalen, motetten, canzona’s, sonates, ritornello’s en dansen – regelmatig uitgevoerd door blokfluitisten, zowel professionelen als amateurs, zowel in Italië als daarbuiten.

Toch vormde de periode in kwestie geenszins een hoogtepunt in de geschiedenis van de blokfluit. Alhoewel er wel degelijk voldoende aanduidingen zijn die erop wijzen dat de blokfluit overal in Europa bespeeld bleef, is het ook duidelijk dat het instrument een minder prominente rol was toebedeeld dan tijdens, bijvoorbeeld, de late 16de of de vroege 18de eeuw. Minder muziek werd specifiek voor blokfluit geschreven, een relatief klein aantal instrumenten bleven bewaard en er waren slechts een handvol relevante vermeldingen in literaire bronnen. Inzake blokfluitbouw hebben we hier bovendien te maken met een overgangsperiode, een periode waarin bouwers volop experimenteerden en diverse methodes uitprobeerden bij het omvormen van de min of meer gestandaardiseerde 16de-eeuwse blokfluitmodellen tot het klassieke driedelige concept dat overal in Europa zijn intrede deed op het einde van de 17de eeuw.
Italiaanse “Vroeg Barokmuziek” oefent een grote aantrekkingskracht uit op hedendaagse blokfluitisten. Intussen vormt deze muziek zelfs een vast onderdeel uit van het repertoire. Maar in het licht van de vele hierboven vermeldde historische onduidelijkheden dringen zich toch twee belangrijke vragen op:
1. Welke muziek precies werd er als passend ervaren om op blokfluit te worden uitgevoerd?
2. Welke afmetingen en types van instrumenten werden er gebruikt?

Een grondige studie van historische traktaten inzake muziektheorie en uitvoeringspraktijk, een zorgvuldig onderzoek van in diverse Europese musea bewaard gebleven instrumenten, en het geduldig doorzoeken van tal van muziekbibliotheken zouden me moeten in staat stellen om onderbouwde antwoorden te vinden op deze vragen in de vorm van nieuw ontwikkelde instrumententypes – naast blokluiten ook basviool, klavecimbel en orgel – en een putatieve repertoirelijst.

Andreas Van Zoelen. Eigenschappen en ontwikkeling van het klassieke saxofoongeluid binnen diverse tradities, in historisch perspectief.

De eerste fase van mijn onderzoek zal de oorspronkelijke instrumenten uit het atelier van Adolphe Sax betreffen. Allereerst wil ik de historisch correcte speelwijze in kaart brengen door het bestuderen van traktaten geschreven door tijdgenoten van Adolphe Sax. Het bekendste voorbeeld van een dergelijke bron is de “Méthode complète et raisonnée de saxophone” van Jean-Georges Kastner. Deze informatie kan ik direct praktisch vertalen naar de instrumenten uit mijn collectie. Daarnaast wil ik exact vaststellen hoe de parabolische curve, de ‘cône parabolique’ die Adolphe Sax zo belangrijk achtte, terug te vinden is in zijn saxofoons. En verder, hoe heeft deze bouwwijze zich in de instrumenten van Sax ontwikkeld? Stoelen de laatste saxofoons die Adolphe Sax bouwde op het toepassen van aanpassingen, voortschrijdend inzicht? Daartoe zal ik verschillende meetmethoden toepassen, zoals MRI.

Vanuit die informatie wil ik de verschillende mondiale saxofoontradities identificeren. Naast het typeren en uiteenzetten van de ontwikkeling van deze tradities, wil ik opzoeken wat de verwantschappen zijn tussen de oorspronkelijke bouw van de instrumenten van Adolphe Sax, en de instrumenten die de diverse tradities gebruiken. Verschillende recent verworven beeld- en geluidsopnames van de pioniers zullen hiervoor de basis zijn. Verder wil ik op zoek naar dwarsverbanden tussen genoemde tradities. Naast het inzichtelijk maken van deze informatie hoop ik dat dit werk een inhoudelijke dialoog op gang brengt tussen de diverse werelden.

Tot slot wil ik een duidelijk beeld schetsen van de Nederlandse school. Hoe heeft deze zich ontwikkeld, en wat zijn de connecties met bijvoorbeeld de Franse traditie.

Al deze informatie wil ik samenvatten in een boek met bijbehorende CD, die ik tijdens een concert op uiteenlopend instrumentarium presenteer. In zijn geheel wil dit werk een duidelijke staalkaart zijn van de kleurrijke mogelijkheden die Adolphe Sax ons met zijn saxofoon heeft gegeven.

Luc Vertommen. Context, studie en ontsluiten van de muziek voor blaasorkest van de synthetisten.

Les Synthétistes was een collectief van Belgische componisten die zich verenigden in 1925 naar aanleiding van de zestigste verjaardag van hun gevierde leraar, Paul Gilson. Ze hadden de intentie om verschillende tendensen die zich voordeden in de muziek vanaf 1925 te synthetiseren.
"Couler dans des formes bien définies, bien équilibrées, tous les apports de la musique actuelle, sythétiser" (Gaston Brenta).

De leden van deze groep waren René Bernier (1905-1984), Francis de Bourguignon (1890-1961), Gaston Brenta (1902-1969), Théo De Joncker (1894-1964), Robert Otlet (1889-1948), Marcel Poot (1901-1988), Maurice Schoemaker (1890-1964) en Jules Strens (1893-1971). In deze periode uit de Belgische muziekgeschiedenis was het harmonieorkest een belangrijke hulp voor componisten, vooral omwille van het ontbreken van een professioneel symfonisch orkest buiten dit van de Nationale opera. Aangemoedigd door hun mentor, Paul Gilson en met de steun van Arthur Prevost (dirigent van de Koninklijke Muziekkapel van de Belgische Gidsen), componeerde de Synthetisten een aanzienlijke canon van originele symfonische werken voor harmonieorkest.

Dit onderzoek bestaat uit drie facetten, elk met hun eigen methodiek en onderzoeksmethode. Eerst en vooral zal een theoretisch en contextueel onderzoek leiden naar een grondige studie van het leven en de werken voor blaasorkest van Marcel Poot, de belangrijkste protagonist van de Synthetisten. Door onderzoek van (tot nu toe nog onontgonnen bronnen) en aanzienlijk onderzoek dat door de doctorandus reeds werd verricht zal een nauwgezette biografie en definitieve werkenlijst van Marcel Poot’s werken voor blaasorkest worden samengesteld.

Ten tweede zal specifiek wetenschappelijk onderzoek naar identificatie van data en bronnenmateriaal streven naar het samenstellen van een volledige lijst met originele werken voor blaasorkest gecomponeerd door alle componisten van de Synthetisten.  Tot nu toe werden al meer dan zestig originele werken uitgekozen omwille van hun intrinsieke muzikale waarde en hun internationaal en historisch belang.

Ten derde, en tevens het zwaartepunt van dit doctoraat, zal praktijkgericht artistiek onderzoek leiden naar het redigeren en uitgeven van de geselecteerde werken. Nadat de onderzoeksresultaten van de eerste twee fases verzameld en vergeleken kunnen worden, zal de uiteindelijke informatie leiden tot een kritische uitgave van voorheen onuitgegeven Belgische muziek. Door opname en uitvoeringen tijdens concerten van dit voorheen onbekende repertoire zal de kennis en het begrip voor dit verwaarloosde onderdeel van de Belgische muziekgeschiedenis groeien.

Deze studie tracht om nieuwe inzichten te brengen in de ontwikkeling en de historische betekenis van de Belgische muziek met de nadruk op de muziek voor harmonieorkest en zijn aanzienlijke internationale relevantie. Het uiteindelijke doel is een brede muzikale interesse te genereren en de studie en uitvoering van dit repertoire te stimuleren bij andere dirigenten, muzikanten en onderzoekers.

Tomma Wessel. Instrumentenportret blokfluit.

Dit onderzoek focust op de speeltechnieken en verschillende types van de uitgebreide instrumentenfamilie van de blokfluit. De akoestische eigenschappen, hun repercussies op de klankproductie en nieuwe klankmogelijkheden staan centraal. De verwerking van de resultaten leidt tot een helder conceptueel kader. Uitgebreide klank- en videovoorbeelden dienen als illustratie van het diepgaande onderzoek. Het resultaat zal een voor componisten en spelers toegankelijke website zijn.

Barbara Wiernik. Contemporary Vocal Jazz. An artistic cartography of European encounters.

De vraag of er een artistieke stroming is, een “school” van vocale jazz die niet enkel gebaseerd is op de Amerikaanse traditie, werd nooit helemaal beantwoord door jazz muzikanten. Daarom zou ik willen uitzoeken in welke mate onze omgeving ons artistiek definieert, of er meer Europese stromingen bestaan en wat de belangrijkste zijtakken zijn.

Omdat ik zelf muzikante ben, vindt mijn methodologie zijn oorsprong in de artistieke praktijk. Ik plan daarnaast een onderzoek dat vertrekt van gefilmde ontmoetingen met een aantal Europese sleutelfiguren (zangers, instrumentalisten, journalisten) met wie ik in gesprek ga over hun perceptie over de hedendaagse vocale jazz en de rol van de jazz zanger/zangeres.

Ik zal een website ontwikkelen met documentatie en analyses. Er zal ook een classificatie opgenomen worden waarbij zangers volgens bepaalde criteria ingedeeld worden: welke jazz stijl hun definieert, de plaats van vocale improvisatie, de vrijheid van melodische interpretatie, externe invloeden … Dit zal uitmonden in een soort van levende cartografie van vocale jazz trends in Europa.

Ik wil ook verschillende bestaande of nieuwe artistieke projecten onderzoeken, die nauw verbonden zijn met mijn onderzoeksproject en het kunnen voeden: projecten rond stem en improvisatie die diverse aspecten van jazz in beschouwing nemen. Door het integreren van invloeden en (im)migraties van moderne vocale jazz, wordt in deze Europese cartografie een maximum aantal muzikale scala’s geëxploreerd.

Adam Woolf. The Baroque Trombonist: Musical Cuckoo, or expert improviser. 

Sinds een jaar of vijftig zijn de ‘oude’ instrumenten uit de renaisance en de vroege barok opnieuw erg populair geworden, imiteren ze muzikale soundscapes van weleer en helpen ze meesterwerken als Monteverdi’s opera’s en de sacrale muziek terug tot leven te brengen. Maar deze oude instrumenten brengen ook iets heel erg nieuws in de muzikale wereld van vandaag. Een instrument zoals de trombone lijkt op het eerste zicht vooral in de categorie van hedendaagse klassieke instrumenten te vallen, maar in termen van muzikale benadering, deelt het erg weinig met de esthetica aanwezig in de hedendaagse performance. Terwijl ze niet langer proberen het instrument te laten klinken als hun hedendaagse evenknie, zoeken spelers naar nieuwe mogelijkheden, door het mengen van oude en nieuwe timbres en technieken en tegelijkertijd versterken ze de banden met de oorsprong van deze instrumenten.

Mijn studie wil de kwaliteiten van dit instrument identificeren, alsook van andere instrumenten die het mogelijk maakten dat de trombone zo populair werd in de 16e eeuw. Ik wil ook naar manieren zoeken om het instrument naar de concerthuizen van de 21e eeuw te brengen. Ik zal mijn onderzoek beginnen door oude en nieuwe composities te exploreren. Ik wil manieren vinden om de historische kwaliteiten te erkennen en ze tegelijkertijd in nieuwe settings binnen te brengen. Door een reeks hedendaagse composities waaronder live performance, electro- akoestische technieken en andere ‘normaliteiten’ van de hedendaagse muzikale wereld, zal ik een oud muzikaal vocabularium presenteren binnen nieuwe muzikale contexten.

Onderzoekers aan KCB en hun onderzoek:

Het overzicht wordt weldra online gezet.