DOCTORANDI IN DE KUNSTEN EN ONDERZOEKERS

Doctorandi in de kunsten en hun onderzoek:

 

Pierre Bibault. Bepalen, exploreren en verbeteren van de gestiek van de gitarist. De microgestiek in stukken voor klassieke en electrische gitaat, geschreven tussen 1977 en morgen. 

Het onderzoek wordt verdeeld in drie delen:
-Een eerste gedeelte stelt een definitie van gestiek en van microgestiek voor.

-Een tweede deel is een directe toepassing van dit proces op de performer: met een select repertoire van hedendaagse gitaarstukken, exploreer ik nieuwe manieren om gitaartechnieken te verbeteren. Mijn doel is de technieken ‘opnieuw uit te vinden’ door te bewijzen dat ze niet bestaan op zichzelf, maar enkel door de gestiek en de microgestiek, in directe verbinding met het idee van de componist. Dit behelst nieuwe manieren om muziek te schrijven (notatie van gestiek) en om te decoderen; dus ook compositieopdrachten aan componisten en premières van nieuwe muziek.

Een andere directe toepassing is de relatie met pedagogie: deze exploratie van mezelf als performer, die nieuwe relaties en connecties met het lichaam ontdekt, laat me toe een nieuwe methode te formuleren om het instrument te onderwijzen, minder verbonden met de noot zelf maar meer gericht op de muziek en het geluid.

Het derde deel impliceert het gebruik van computertechnologie: met 3D sensors ben ik direct verbonden met mijn eigen gebaren, die zelf muziek gaan creëren: dit is een reflectie over de toekomst en een oplossing voor de muzikant van morgen om verbonden te blijven met de nieuwe wereld, de nieuwe maatschappij en het gebruik van nieuwe technologieën.

Igor C Silva. Nieuwe vormen van interactie tussen instrumenten en electronica.

Sleutelwoorden: mixed music- instrumenten & elektronica- interactie- programmeren

In het huidige landschap van het componeren en brengen van mixed music steken specifieke problemen de kop op die inherent zijn aan de specificiteit van dit soort praktijk. Problemen zoals de synchronisatie tussen de uitvoerder en de elektronica, de complexiteit van digitale interfaces en de noodzaak aan een akoestische samensmelting tussen de twee, zijn enkele van de belangrijkste zaken waarover gediscussieerd wordt in het academisch onderzoek over dit veld.  Dit project beoogt nieuwe systemen te ontwikkelen die simpele, praktische en intuïtieve antwoorden zullen geven op de problemen die inherent zijn aan mixed music. Om deze vragen met de nodige bagage aan te pakken, zal ik zowel een bibliografisch onderzoek doen alsook een uitgebreide analyse maekn van tien werken van verschillende componisten. Om nieuwe antwoorden te vinden op de hierboven vermeldde vragen, componeer ik vijf nieuwe werken, die deze problemen kunnen oplossen of betere inzichten kunnen verschaffen in het probleemoplossend proces. Deze werken zullen in een latere fase uitgevoerd worden met als doel het testen van de validiteit of de afdwingbaarheid van de gecreëerde processen. Tenslotte wil ik met de werken nieuwe benaderingen creëren en systematiseren in de compositorische en performatieve praktijk, in de hoop bij te dragen tot de artistieke en academische ontwikkeling van het mixed music scenario.

Filippe Caporali. Crossing Universes - improvisatie met de strijkstok door het samenbrengen van klassieke muziek en jazz.

Als jazzmuzikant, beschouw ik het gebruik van de strijkstok in improvisatie als een verrijkende techniek voor het ontwikkelen van meer en rijkere muzikale mogelijkheden. Veel dubbele basspelers hebben in de loop van de geschiedenis hun eigen benadering ontwikkeld, maar het ontbreken van specifiek materiaal gewijd aan de improvisatie met de strijkstok in jazz en andere genres maakt deze praktijk onderbenut.

Deze studie wil een artistieke praktijk en een methode voor de dubbele bas ontwikkelen die jazz en klassieke muziek combineert, met een focus op improvisatie met de strijkstok. Het zou logisch lijken dat het samenbrengen van de klassieke en de jazz opleiding genoeg zou zijn om het verwachtte resultaat te krijgen. Maar de verschillende manier van fraseren, vocabularium, geluid en de nood aan flexibiliteit om “on spot” te componeren, te reageren op de input van het moment, creëert bepaalde problemen die de tools die aangereikt in de jazz- en de klassieke muziekopleiding niet altijd kunnen oplossen.

Om deze tools te kunnen aanreiken, wil dit onderzoek beide tradities combineren door de gemeenschappelijke kenmerken als vertrekpunt te nemen. Ik zal materiaal van bestaande methodes gebruiken en nieuwe oefeningen voorstellen om de noodzakelijke techniek, flexibiliteit, vocabularium, musicaliteit te kunnen ontwikkelen. Ik zal de solo’s en stijlen van de meest representatieve muzikanten analiseren en improvisatie implementeren in de dagelijkse praktijk, wat een erg efficiënte manier is om elke muzikale taal te verbeteren vergeleken met studies die enkel gebaseerd zijn op herhaling. De output van dit artistiek onderzoek zal de ontwikkeling van een methode voor dubbele basspelers zijn, evenals live muziek die de relevantie van dit onderzoek aantoont voor mijn eigen stijl van improviseren en spelen.

Nuno Cernadas. Alexander Scriabins tien Piano Sonates: een interpretatieve reis door zijn muzikale kosmos.

Alexander Scriabin (1872-1915) was een revolutionaire componist die, door een betekenisvolle evolutie in zijn muzikale taal, een manier vond om zichzelf te bevrijden van de restricties van tonale muziek en de overgang maakte naar een ongeremde vorm van muzikale creatie. Twee met elkaar verbonden elementen die deze snelle transformatie versnelden waren het zich ontwikkelende mysticisme van Scriabin en zijn perceptie van kleur als de visuele pendant van geluid, tot stand gebracht door ofwel synesthesie of door een bewuste artistieke intentie.

Mijn onderzoek zal de kleur- en geluidssymbiose van Scriabin en zijn relatie tot mystieke filosofie bestuderen, zoals in Prometheus op. 60, om deze ideeën toe te passen op de creatie van een origineel multisensorisch concept voor de live uitvoering van zijn tien pianosonates. Het onderzoek zal focussen op de mystieke filosofieën die Scriabin beïnvloed hebben, hun historische en culturele betekenis in het vroege 20ee eeuwse Europa en hun rol in de ontwikkeling van de stijl van de componist. Ik zal een nauwkeurig onderzoek doen van Prometheus op.60, zijn eerste poging om een multisensorieel kunstwerk te produceren, waarbij kleur en muziek vermengd worden in een transfiguratief meesterwerk. Muzikale interpretatie en uitvoeringsvraagstukken zullen ook van centraal belang zijn in dit onderzoek.

Met de synesthetische exploratie van Scriabins tien pianosonates heeft dit project tot doel een meeslepende muzikale en optische ervaring te creëren, één die niet enkel de visionaire intenties van de componist volgt, maar ze ook verder zet.

Lambert Colson. Een nieuw licht op de performance praktijk van de Cornetti in de 16e en de 17e eeuw. 

De Kornet is een instrument dat bekend is in de wereld van de oude muziek en dat geregeld bespeeld wordt in grote festivals en concertzalen. De uitdaging ligt dan ook niet meer in de herontdekking van een vergeten instrument. Tegelijkertijd hebben de historische speelpraktijken en tradities maar zeer uitzonderlijk een invloed op de speelpraktijd van de Kornet vandaag.

Dit doctoraatsonderzoek focust op drie geografische plekken: Kassel, Verona en Graz. Deze studie zal een specifiek repertoire linken aan muzikanten en bewaard gebleven instrumenten met als doel de sterke lokale tradities in een beperkt tijdsframe te bekijken. Er zullen fac similes van enkele bewaard gebleven instrumenten gemaakt en bestudeerd worden.

Het eerste deel van het onderzoek zal gewijd worden aan het Hof van Kassel ten tijde van Moritz van Hessen- Kassel (1592-1627) en zal het repertoire van de Cornetti Mutti, alsook de instrumenten die in Leipzig bewaard werden, de Kasseler Zinken, bestuderen. Eén van deze instrumenten draagt het merkteken van Georg Graumann, een veelgeprezen kornetspeler die actief was aan het Hof van Kassel.

Het tweede deel van het onderzoek focust op Verona en de instrumenten en partituren die bewaard werden in de Accademia Filarmonica di Verona.

Het derde deel zal gewijd worden aan Graz en het manuscript Ms. A.R. 775-777.  Dit wordt bewaard in de Bischöfliche Zentralbibliothek in Regensburg en linkt het repertoire met bewaard gebleven instrumenten uit Wenen en Berlijn.

Jan De Winne. Op zoek naar een verloren klank. 

Het onderzoek zal zowel de creatieve aspecten van het kopiëren van 18e eeuwse fluiten behandelen, als de keuzes die een muzikant maakt wanneer hij een concert brengt in de geest van van de Historical Informed Performance Practice. Twee case studies van fluiten gebouwd door Quantz en Palanca maken deel uit van dit onderzoek. Vertrekkend van de artisanale details van de instrumentenbouwer, zal er een meer complexe vraag van authenticiteit in het produceren en recreëren van vroege composities ontwikkeld worden.

Chryssi Dimitriou. Under the spotlight of observation. 

Een voorstelling is misschien de enige kunstvorm die direct voortkomt uit het eenvoudige feit dat tijd verstrijkt. Waarschijnlijk is dit de bron van het potentieel van een voorstelling:  een momentopname waarbij wat overblijft, behoort tot het domein van het geheugen. Zoals een beeldhouwer die een sculptuur boetseert uit klei, zo boetseert de podiumkunstenaar een interpretatie, vertrekkend van momenten die oplossen in de tijd. Wat gebeurt er wanneer we een voorstelling observeren?

Experimenten in de kwantummechanica bewijzen dat de waarnemer en wat waargenomen wordt gelinkt zijn in een kwantum afhankelijkheid, waarbij de waarnemer door observatie de toestand van het geobserveerde systeem verstoort, beïnvloedt en bepaalt. De etymologie van het Griekse passieve werkwoord 'geprojecteerd worden' ('προ-βάλλομαι' in het Grieks), toont dat het een synthese is van de prefix προ- en het werkwoord 'βάλλομαι', wat letterlijk betekent geraakt, verstoord, beïnvloed, aangevallen worden. Dit werkwoord, dat de paradox van de waarnemer in de kwantummechanica bevestigt, impliceert dat geobserveerd worden betekent dat je de energie van een waarnemer ontvangt, bijna in de vorm van een aanval.

Het concept van theater zelf onthult een visueel observerende afhankelijkheid tussen performer en toeschouwer. Jacques Lacarrière merkt in zijn boek "The Greek Summer" op dat het woord theater komt van het werkwoord "theomai", wat zowel 'zien' als 'gezien worden' betekent. Het is dan ook niet toevallig dat de oude theaterarchitectuur, "uitgedrukt door de bodem en de stenen", lijkt op het beeld van een Oog.

De blik van de toeschouwer bevat als het ware een basismechanisme waarmee we uitgerust zijn om te navigeren in het leven, om ons begrip van de wereld vorm te geven op een betekenisvolle manier, en om ons een identiteit aan te meten.
Wat gebeurt er wanneer we observeren, of wanneer we geobserveerd worden en hoe kan de pure observatie van een 'het lichaam van een podiumkunstenaar in actie' tot zelfreflectie leiden terwijl het eigenlijk over de kunst van een vreemde gaat? En wat zit er achter onze capaciteit om van beelden iconen te creëren?

Yiannis Efstathopoulos. De Spaanse gitaarmuziek van de "Generatie van 1927".

Mijn onderzoek zal focussen op de systematisch exploratie van gitaarcomposities van Spaanse componisten die op grond van hun esthetische keuzes en hun stijl tot de "Generatie van 1927" gerekend worden. Mijn onderzoek zal resulteren in een publicatie en een CD-opname.

Stéphane Galland. Cultural Roots and interactions of contemporary rhythm in jazz.

Na meer dan 30 jaar onderzoek naar en ervaring met ritme en de verschillende aspecten en benaderingen van ritme in functie van de culturele, sociale, geografische, filosofische context, het zoeken naar manieren om een betere kennis van “ritme” te ontwikkelen en een universele toegang tot de verschillende zijtakken ervan te bieden, wil ik graag de talrijke elementen, die ik in de loop der jaren ontdekt hebt in mijn muziekpraktijk, verder verdiepen.

Mijn muzikale parcours heeft me de kans gegeven om in de buurt te komen en samen te werken met enkele van de grootste  ritmemeesters uit verschillende tradities: Umayalpuram K. Sivaraman uit India, Doudou N’Diaye Rose uit Afrika, Misirli Ahmet uit Turkije, het trio Chemirani uit Iran, evenals talrijke percussionisten, als andere instrumentalisten en zangers uit Bulgarije, Egypte, Spanje, Syrië, Irak, Griekenland, de Verenigde Staten, Mauritius, Algerije, Tunesië, Israël, Palestina enzovoort. Dankzij mijn dubbele vorming als klassieke percussionist én jazz drummer en door het feit dat ik in allerlei muzikale contexten gespeeld heb (zowel in jazz, rock, pop, klassiek, hedendaagse muziek, barok, funk en natuurlijk ook wereldmuziek), heb ik mijn eigen tools kunnen ontwikkelen om elke gedachte achter elke specifieke ritmische benadering te decoderen.

Deze lange muzikale en interculturele ervaring (die zich nog steeds verder zet) heeft me geholpen te begrijpen welke elementen, welke sleutels toelaten van één ritmische wereld naar een andere te gaan, van één gedachte naar een andere, van één gevoel naar een ander en gemeenschappelijke wortels te ontdekken van al deze ritmische zijtakken.

Maria Gonzalez. Theoretisch en artistiek onderzoek over de basso continuo praktijk in Venetië tussen 1590 en 1630 gebaseerd op de fundamenten van het contrapunt. 

Met het onstaan van de Basso continuo, maakten ook een paar muzikale genres een ontwikkeling door. Elk genre vraagt een verschillende manier van het spelen van basso continuo. Alhoewel de verschillende genres (zoals instrumentale muziek met sonates en canzona's of sacrale en vocale muziek) allen de contrapunt regels volgen, verschillen ze toch wat betreft het concept van de compositie.

Historische bronnen verschaffen ons veel informatie, maar vaak wordt die gepresenteerd op een erg pedagogische manier, zoals we het vandaag gewoon zijn, terwijl de inhoud van de historische bronnen zelf nooit erg expliciet is. 

Er zit nochtans veel impliciete kennis in die historische bronnen en ook in het repertoire zelf. Als we in beschouwing nemen hoe begaafd en geschoold de performers in dat tijdperk waren, dan lijkt het moeilijk voor hedendaagse klavierspelers om een repertoire te spelen dat zo een diepe kennis van het contrapunt vraagt, zoals in de instrumentale canzona's, motetten en sonates. Een goed voorbeeld is de uitvoering van de Fontana Sonates (jaren 1640) die verschillende baslijnen en variaties bevatten alsook basso continuo solo's die een contrapunt vereisen dat kan vergeleken worden met de voorbeelden beschreven door Spiridionis (1670). Dit maakt het moeilijk om duidelijke grenzen vast te leggen tussen basso continuo enerzijds en compositie anderzijds.

Volgens Dalla Casa (jaren 1580) zouden dimunities uitgevoerd moeten worden door zangers, blaasinstrumenten, maarook door klavierspelers. Hij is de enige componist die klavierspelers vermeldt in een verhandeling over dimunities. Heel wat vragen blijven nog onbeantwoord: aan welk type van composities refereert hij? Wat wordt er bedoeld met “ klavierdimunities”? Hoe konden klavierdimunities gecombineerd worden met een solo stuk? Konden dimunities ook gebruikt worden in composities met basso continuo?

Dit doctoraatsonderzoek wil een licht werpen op de verschillende benaderingswijzes van de basso continuo praktijk in Venetië tussen 1590 en 1630. Na het beschrijven van deze verschillende benaderingen zal (met  behulp van historische bronnen en de uitvoeringspraktijken zelf) een eigen performance praktijk ontwikkeld worden. Muzikaal onderzoek zal zeer belangrijk zijn om de theoretische inzichten in een breder perspectief te kunnen plaatsen. 

De inzichten die voortkomen uit deze muzikale experimenten zullen gebruikt worden in historisch geïnformeerde uitvoeringen (concerten, recitals, opnames) die deel uitmaken van de valorisatie van en van de disseminatie van dit onderzoeksproject.

Luca Isolani. The hybrid guitarist. An embodied approach to the interpretation of the folkloric elements in classical guitar repertoire.

De moderne gitarist is een hybride gitarist: een uitvoerder die zich een veelheid van technische en muzikale eigenschappen eigen moet maken, die niet alleen behoren tot de klassieke gereedschapskist, maar ook tot de specifieke culturele achtergrond van de werken die hij speelt.
Dit wordt onmiddellijk duidelijk wanneer de gitarist muziek speelt die sterk geïnspireerd is door folkloristische idiomen. Het heterogene karakter van de volksmuziekelementen roept de vertolker niet alleen op om melodische en ritmische inzichten aan te boren die buiten de klassieke traditie vallen, maar zet vooral aan tot het exploreren van de rijkdom van het instrument om zo een gevarieerde en veelzijdige speelwijze te ontwikkelen.
Zou het begrip "belichaamde kennis" (met zijn sociologische, culturele en fysiologische betekenissen) het instrument kunnen zijn om in de gitaarpraktijk te herconfigureren? Wat zijn de sterke punten van deze benadering, wat de beperkingen?
Hoe kan de vertolker de folkloristische elementen opsporen, bestuderen en belichamen?
Is het mogelijk een exploratieve methodologie voor te stellen om deze elementen in de uitvoering te integreren?
Uitgaande van de tarantella-vorm uit Zuid-Italië en de interpretatie ervan op de chitarra battente, zal dit onderzoek de folkloristische kenmerken bestuderen die aanwezig zijn in het klassieke gitaarrepertoire en enkele hulpmiddelen definiëren voor een exploratieve methodologie van belichaming.
Het artistieke doel van dit onderzoek is aan te tonen dat wanneer folkloristische elementen van dichtbij worden geobserveerd, met aandacht worden beoefend, er kritisch over wordt gereflecteerd en ze op een gevoelige manier worden belichaamd, ze een belangrijke bijdrage leveren aan de verfijning van de uitvoering.
 

Philippe Lamouris. Componeren en uitvoeren met emoties. De zoektocht naar emoties opwekkende parameters uit de laat-romantiek en technieken in het kader van de hedendaagse artistieke toepassingen. 

Het woord (term) "emotie" in de kunsten en meer in het bijzonder in de muziek plaatst ons voor een paradox. Enerzijds wordt het gebruik van het woord "emotie", over het algemeen, gemeden, anderzijds is emotie  alomtegenwoordig. Ook tijdens een muziekuitvoering. Er zijn in de klassieke muziek twee essentiële actoren: de musicus en de luisteraar. Mijn doelstelling is beiden dichter bij elkaar te brengen door zowel het emotioneel beleven van de luisteraar te doorgronden als aan de musicus de middelen aan te reiken om emoties bij de luisteraar op te wekken, te beheersen en zelfs te manipuleren.

Ik ben ervan overtuigd dat de parameters waarover de componist beschikt zoals harmonie, melodie en ritme in samenhang met de parameters waarover de uitvoerder/muzikant beschikt zoals dynamiek, tempo en frasering, het emotioneel niveau van de luisteraar beïnvloedt. Gebruik makend van "meettechnieken" zoals ATT (Aesthetic Trinity Theory) samen met de "verwachtingstheorie" (theory of expectation), wil ik onderzoeken welke parametercombinaties en technieken nu daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor de fluctuaties binnen het veld van de emotionele intensiteit. Ik zal het accent leggen op muziekpassages waarbij de luisteraar pieken van emotionele intensiteit ervaart en fysiologisch (lichamelijke) reacties laat zien zoals een huivering en verstomming.

Van zodra ik ten gronde heb begrepen welke combinatie van parameters aan de grondslag liggen van deze emotionele reacties, zal ik samenwerken met musici om mijn bevindingen toe te voegen aan hun eigen muzikale praktijk. De geschiedenis van de kunsten toont aan dat her-contextualisering van "oud muzikaal materiaal" naar een hedendaagse vormgeving de artistieke creativiteit kan versterken. Mijn eigen artistieke output zal bestaan uit: compositie voor piano, kamermuziekstukken en een pianoconcerto gecomponeerd en uitgevoerd door mijzelf. Het pianoconcerto zal bovendien gebaseerd zijn op de parametercombinaties zoals hierboven beschreven.

Raffaele Longo- Nieuwe compositorische paden op basis van de harmonische taal van Elliott Carter en het deconstructivisme

Dit onderzoeksproject linkt compositie aan muziektheorie vanuit een baanbrekend methodologisch standpunt. Het originele karakter van dit onderzoek baseert zich op de definitie van een nieuw paradigma in muziekcompositie: Raffaele Longo zal onderzoeken of, en hoe de harmonie van Elliott Carter – zoals verwoord in zijn handboek  – de drijvende kracht kan zijn om vernieuwende compositorische wegen te exploreren door de waarden van het 'New Humanism' te toetsen aan de typisch deconstructivistische benadering.  Carters harmonische wereld neemt hier de rol waar van  een postmoderne grammatica ( in de aard van een soort ‘Renaissance atelier’). Tegelijk probeert het onderzoek ook  om creatief te innoveren door een nieuw compositie- paradigma te poneren  dat stoelt op de ultieme resultanten van het post-structuralisme, dit alles  in het kader van een muziektheoretische benadering.

Jean-François Madeuf. Historisch Geïnformeerde Uitvoeringspraktijk.

Mijn doctoraat spitst zich toe op het diepgaande artistieke en theoretische onderzoek van de trompet: de speeltechnieken en stijl, de historische context, de literatuur en het repertoire. Ik baseer me daarvoor niet enkel op historisch onderzoek maar ik zal, als muzikant, ook beoordelen of de informatie  die voor handen is in de historische verhandelingen (of andere bronnen) ook waardevol is voor de techniek van het instrument en voor de interpretatie.

Marco Mantovani. De interpretatie van Robert Schumann: tussen inspiratie en rationaliteit.

Het belang van structurele coherentie in de uitvoering van de muziek van Schumann in de pianowerken die vanaf het einde van 1836 tot het begin van 1838 worden samengesteld.

Fantasie op.17 (1836-1838)
Fantasiestucke op.12 (1837)
Davidsbundlertanze op.6 (1837-1838)
Novelletten op.21 (1838)
Kinderszenen op.15 (1838)
Kreisleriana op.16 (1838)

Mijn onderzoek zal zich richten op zes pianostukken van Schumann die gecomponeerd werden tussen 1836 en 1838 omdat ik denk dat deze periode één van de keerpunten is in zijn persoonlijke en artistieke leven. Veel van zijn belangrijkste pianowerken en enkele van de meest verhelderende voorbeelden van zijn bijzondere compositieproces en zijn formele en structurele innovaties dateren uit deze periode.

Deze innovaties en de originaliteit van Schumann`s poëtiek worden, naar mijn mening, vaak verkeerd begrepen in de hedendaagse interpretatie van zijn werken; vooral het evenwicht tussen vrijheid en beperkingen voor wat betreft tijd en structuur. 

Dit onderzoek wil deze werken benaderen vanuit het oogpunt van een uitvoerende kunstenaar. Ik neem daarbij de theoretische aspecten in overweging (de formele analyse van de werken en de studie van hoe deze geïnspireerd werden door de stijl en de psychologie van schrijvers zoals E.T.A. Hoffmann en Jean Paul) en onderneem een artistieke reis om de diepste gedachten van de componist te doorgronden, wat zal uitmonden in de uitvoering en opnames van deze werken.

Mijn uiteindelijke doel is de extreme verscheidenheid van stemmingen en visies van Schumann met een diep logische en coherente stroom te combineren, om zo dicht als mogelijk te komen tot  de ware en authentieke bron van zijn inspiratie.

Bobby Mitchell- Playing Schumann again for the First Time

Hoe kan men leren overtuigend te improviseren binnen de context van het negentiende-eeuwse pianorepertoire? En waarom is het belangrijk om in de eenentwintigste eeuw op dit repertoire te improviseren? Met de muziek van Robert Schumann als uitgangspunt geeft Playing Schumann Again for the First Time een antwoord op deze vragen aan de hand van methodes voor een pianistische praktijk die gedreven wordt door experiment en die ernaar streeft om steeds meer lagen te vinden waar improvisatie kan plaatsvinden, zowel in de muzikale praktijk  van de klank als in de notatie. Deze praktijkmethoden worden gecontextualiseerd door een bespreking van de aanwezigheid van improvisatie in de westerse klassieke muziekpraktijk in de negentiende eeuw. Ze worden vervolgens onderbouwd met een pleidooi om improvisatie te gebruiken als instrument om de huidige uitvoeringspraktijk van de negentiende-eeuwse muziek te herdenken. Improvisatie en de concepten die deze term aandrijven zullen ook aan bod komen en de opgedane kennis in dit project zal worden beschreven als improvisatie als praktijk én als improvisatie als kunst.

Luis Mora Matus. The use of contemporary progressive rock/metal practices to expand the contemporary jazz soloing idiolect

Met de assimilatie van voettechnieken ontwikkeld door progressive metal drummers wil dit onderzoek de expressieve mogelijkheden uitbreiden van drummers in de ritmisch complexe context van hedendaagse jazz. Hiervoor werkt Luis Mora op 3 communicerende fronten: de ontwikkeling van nieuw vocabularium voor voetenwerk in het verlengde van de jazz traditie; het integreren van recente speeltechnische ontwikkelingen uit de progressive metal praktijk; en de uitbreiding van de jazz drumkit met extra pedalen.

Bart Naessens. Claviorganum, a curiosity? Onderzoek naar de impact van het claviorganum op de historische musiceerpraktijk

We kunnen aan de hand van historisch bronnenmateriaal vaststellen dat de 16e en 17e eeuwse instrumentenbouw een enorme explosie aan gevarieerd instrumentarium kende, mede door de continue zoektocht van de theoreticus, musicus en instrumentbouwer naar nieuwe instrument-technische en daaruit voortvloeiende extra-muzikale mogelijkheden. Toch zien we vandaag binnen de hedendaagse uitvoeringspraktijk (HIPP) vaak het gebruik van ‘gestandaardiseerd’ instrumentarium. De inzetbare klavierinstrumenten worden daarbij vaak gereduceerd tot orgel en/of klavecimbel als continuo- en/of solo-instrument.

Dit gepolariseerde gebruik van een orgel(positief) of klavecimbel is niet historisch. Integendeel. In de 16e en 17e eeuw leidde de zoektocht van de musicus naar een expressiever instrument dat meer aansloot bij zijn basaal-muzikale intenties of een experimentele visie van een theoreticus en/of instrumentenbouwer vaak tot een nieuw concept en/of uitbreiding van de actuele mogelijkheden van het voor handen zijnde klavier.

Dit onderzoek wil het gebruik van het claviorganum toetsen binnen de actieve musiceerpraktijk. Een combinatie-instrument waarbij zowel klavecimbel als orgel samen klinken kan heel wat idiomatische problematieken van beide instrumenten verhelpen en zorgen voor nieuwe inzichten, ideeën en nieuwe esthetische horizonten.

Er wordt gefocust op de gevolgen van de inzet van het claviorganum, hoe het instrument zich verhoudt tot de twee afzonderlijke componenten en hoe het combinatie-instrument zijn rol kan spelen binnen de huidige actieve musiceerpraktijk.

Luca Piovesan. The co-composition pendulum: reevaluating the composer - performer relationship.

De accordeon is een relatief nieuw instrument in de hedendaagse muziek. In mijn eigen muzikale pratijk heb ik gemerkt dat componisten maar op erg weinig literatuur kunnen terug vallen om de werking en de sonische mogelijkheden van de accordeon te begrijpen. Bovendien is het bestaande repertoire voor accordeon zeer klein. Mijn eigen samenwerkingen met componisten werden daarom sterk gekenmerkt door een nauwe relatie tussen componist en uitvoerder, waarbij ik (als uitvoerder) een erg actieve rol opnam bij het maken van muzikaal materiaal.

Daardoor heeft mijn artistieke praktijk me heel erg bewust gemaakt van het feit dat er veel misverstanden bestaan over hoe muzikale werken gecomponeerd worden. In de klassieke muzikale traditie wordt het finale werk meestal opgehangen aan de naam van de componist (in de handtekening van de partituur, het programmablad van het concert, op de tracklijsten van een album). Maar mijn eigen ervaring is dat het finale werk meestal het resultaat is van co-creatie, vooral in de primaire fase waarin ruw sonisch materiaal wordt ontwikkeld dat als voedingsbodem dient voor de rest van het creatieproces.

In dit onderzoeksproject wi ik deze spreekwoordelijke barsten in de algemene opinie open wrikken door de werking van de accordeon nog verder voor de componist te verhullen. Hiervoor maak ik gebruik van een batterij electronische klankvervormers. Met dit gepersonaliseerd instrument zal ik nieuwe samenwerkingen opzetten met componisten. Ik zal de resultaten van de co-creatieve processen analyseren met de theoretische tools van semiotische en historische analyse. De output van dit onderzoek zal een geluidsbibliotheek voor componisten bevatten, uitvoeringen en opnames van nieuwe werken en  een geschreven verhandeling.

Piergiorgio Pirro. Spectrale technieken in de jazz performance.

Spectralisme is een reeks technieken en een houding ten opzichte van muzikale compositie die ontstond in Europa in de jaren 70, vooral door het werk van een groep Franse componisten waarvan de bekendste Gérard Grisey en Tristan Murail zijn. Spectrale muziek verlegt de aandacht van parameters zoals harmonie en melodische ontwikkeling naar manipulatie en de verkenning van timbre.

Alhoewel de spectrale mindset niet haaks staat op de manier waarop jazz muzikanten over hun muziek denken, worden deze technieken nog maar zelden in de jazz muziek gebruikt.
Het doel van het onderzoek is de toepassing van de spectrale technieken en attitudes in de praktijk van de jazz muziek te onderzoeken – zowel wat compositie als wat uitvoering betreft- vanuit het perspectief van een keyboard speler in de huidige wereld van de digitale muziek.

Ik ben geïnteresseerd in het ontwikkelen van nieuwe geluiden en harmonieën die verder gaan dan de mogelijkheden van de gelijk gestemde akoestische piano. Ik wil ook ontdekken hoe de verandering van een harmonische benadering naar een spectrale attitude de muziek die geproduceerd wordt door een jazz ensemble kan beïnvloeden.

Christophe Robert. Pierre Gaviniès (1728- 1800) of de revolutie van de viool.

Pierre Gaviniès (1728-1800) is één van de belangrijkste figuren in de geschiedenis van de viool: als speler, als artistiek directeur van het ensemble “Le Concert Spirituel”, als leraar en als componist. Terwijl hij alom bewonderd werd tijdens zijn leven is hij nu niet meer bekend, zelfs al worden zijn vioolstudies, gekend onder de naam “24 matinées”, wel nog gebruikt.

Maar Pierre Gaviniès is niet alleen de zoveelste herontdekking. Hij is een sleutelfiguur in de evolutie van het maken/ bespelen/ componeren voor de viool in de 18e eeuw. Tussen zijn eerste verschijning als wonderkind in “Le Concert Spirituel”, met een uitvoering van een Leclair duo in 1741, tot de hierboven genoemde “Matinées” in de jaren 1790, veranderde het maken van violen en het bespelen ervan veranderde compleet. De Franse Revolutie bracht een nieuw artistiek élan met zich mee en het Conservatoire de Paris werd opgericht. In dat tijdsgewricht werd de “moderne viool”, zoals we ze nu noemen, geboren in Parijs. Oude Italiaanse instrumenten reconstrueren, nieuwe strijkstokken (Tourte) en nieuwe technieken, de stad Parijs kreeg een leidende positie in Europa op het vlak van vernieuwing van de viool.

Gaviniès was een getuige en één van de drijvende krachten van deze veranderingen. Hoe, waarom en wanneer dit alles exact gebeurde, is niet enkel een vraag voor de Geschiedenis: het is een vertrekpunt om beter te begrijpen

Kostas Tosidis. Bow techniques for guitar playing: arrangements of contemporary works for cello, violin and viola played on the classical guitar.

Mijn doctoraatsthesis onderzoekt de mogelijkheden om arrangementen van hedendaagse stukken voor cello, viool en altviool op de gitaar te spelen zonder de intentie of de stijl van de muziek te verliezen. Het vertalen van partituren die oorspronkelijk voor deze orkestinstrumenten zijn gecomponeerd vormt een uitdaging voor elk gitaararrangement, vooral wanneer men technische oplossingen probeert te vinden voor het gebruik van de strijkstok.

Mijn eerste onderzoek heeft zich geconcentreerd op de cellosonate van Gyorgy Ligeti (bewerking gepubliceerd bij Schott Music Edition). In mijn doctoraat wil ik deze studie uitbreiden door me te concentreren op  andere stukken die een aantal uitdagingen vormen voor de gitaarbewerking, hetzij door de lengte, hetzij door de lange notenfrasering die de gitaar moeilijk kan imiteren, hetzij door andere klankeffecten die de componist bereikt door het gebruik van de strijkstok.

De componisten (en werken) zijn: Iannis Xenakis (Kottos), George Crumb (cellosonate), Paul Hindemith (altvioolsonates), Benjamin Britten (cellosuites), Zoltan Kodaly (cellosonate) en Luigi Dallapiccola (Ciaccona, Intermezzo e Adagio), Witold Lutoslawski (Sacher Variations).
Ik zal me concentreren op de muzikale taal van deze componisten en hun compositietechnieken, hun ritmische en harmonische taal en andere solo-instrumentale werken en ik zal ook ensemblemuziek onderzoeken.

Het repertoire van de gitaar is beperkt in vergelijking met dat van andere strijkinstrumenten en er zijn dan ook maar weinig prominente componisten die voor de gitaar componeren. Dit onderzoek zal niet alleen het gitaarrepertoire uitbreiden tot nieuwe en opwindende gebieden, maar ook de technische mogelijkheden van het instrument op de proef stellen.

Als onderdeel van deze grondige studie over de gitaartechniek in relatie tot hedendaagse compositietechnieken , plan ik een gedetailleerd essay in combinatie met een DVD met technische voorbeelden en praktische oefeningen.

Mijn doctoraatsonderzoek zal worden afgesloten met opdrachtwerken van componisten als Atanas Ourkouzounov, Marios Joannou Elias, Feliu Gassul, Marko Dottlinger en Giannis Papakrassas.

http://www.kostastosidis.com/
http://miscelaneaguitarquartet.com/

Peter Van Bergen. Improvisatie, interactiviteit en instabiliteit - een artistieke zoektocht naar een interactief computer improvisatiesysteem.

MOTIVATIE

In de jaren 90 (van de vorige eeuw) improviseerde ik met interactieve software ontworpen door collega's.

In dezelfde periode hoorde ik de compositie Voyager van George E. Lewis.

Het viel me op dat ik, zoals ik gewend was in improvisaties met menselijke improvisatoren, geen intense, opwindende en verrassende muziek kon maken in interactie met een computer.

Ook het concept van improvisatie als een muzikale dialoog met een computer was moeilijk te herkennen en te volgen.

Muziek genereren in samenwerking met een computer leek me een voorspelbaar en nauwelijks verrassend proces. Computers doen immers alleen wat hen wordt opgedragen.

Mijn promotieonderzoek "Improvisatie, interactiviteit en instabiliteit: artistieke transformaties" is gebaseerd op de onderzoeksvraag of ik in staat zal zijn om mijn aesthetische opvattingen over muzikale improvisatie en compositie én mijn muzikale ervaringen in het samenspel met menselijke improvisatoren, te vertalen naar een omgeving waarin menselijke muzikale improvisatoren en artificiële improvisatoren (hard- & sofware persoonlijkheden, computers) samenwerken.

Het onderzoek moet leiden tot nieuw compositorisch-improviserend werk, onvoorspelbare improvisaties met een eigen esthetische signatuur, een nieuwe persoonlijke instrumentale en improvisatietechniek en syntaxis, teksten die artistiek onderzoek beschrijven, theorie over improvisatie in relatie tot improvisatie in relatie tot samenstelling, computers, interactiviteit en instabiliteit.

TRANSFORMATIE & ARCHITECTUUR
Om dit mogelijk te maken, ontwikkel ik in samenwerking met programmeur Johan van Kreij software voor interactieve en autonome improvisatie, softwaretools waarmee de "ware, onstabiele aard" van improvisatie en compositie kan worden onderzocht en hoor- en zichtbaar wordt in een performance situatie.

De architectuur, het model, het systeem en de werking van de hardware en software van de kunstmatige improvisatoren zijn gebaseerd op mijn ervaringen als improvisator, componist en performer binnen een praktijk van hedendaagse gecomponeerde en geïmproviseerde muziek (inclusief jazz), kennis van collega-improvisatoren, wetenschappelijke publicaties en het testen van de omgevingen met menselijke improvisatoren tijdens repetities en uitvoeringen

De omgevingen worden "Interactive Orchestral Machine - Artificial Improvisation (IOM-AIM)" en "Hyperlecture" genoemd (een interactieve lezing die automatisch start en stopt met kunstmatige muziek en teksten). De software wordt "IOM-AIM-tool" genoemd.

De artistieke resultaten van het onderzoek behoren tot de categorie Interactive Computer Music Improvisation Systems (ICMIS).

Aan het begin van het onderzoek stelde ik me de 'realisatie' van een 'automatische', bijna
"mechanische" omgeving voor; menselijke en kunstmatige improvisatoren (AI's), die optreden als een ensemble dat in staat is tot verrassende en opwindende muzikale improvisatie in een uitvoeringssituatie en / of het delen van kennis of esthetiek.

"IOM-AIM" en "Hyperlecture" zijn dergelijke omgevingen geworden: autonoom en interactief met andere omgevingen van welke aard dan ook.

Bij het ontwerpen van de architectuur en het functioneren van de "IOM-AIM-tool", "IOM-AIM" en "Hyperlecture" wordt inspiratie gezocht uit inzichten uit de cognitieve wetenschappen.


IMPROVISATIE.
Muziek als klinkend materiaal is het resultaat van een combinatie van "actanten" in een netwerk dat constant in beweging is en daarom onstabiel.

Hoe een muzikaal proces zich ontwikkelt en wat de muzikale uitkomst zal zijn, is nooit helemaal voorspelbaar.

Omstandigheden of gebeurtenissen kunnen de verwachting van de actanten doorbreken. De muziek (als proces en resultaat) kan zo verrassend worden genoemd.

Actanten worden uitgenodigd of uitgedaagd om de verrassing te herkennen en te begrijpen en waar nodig oplossingen te bedenken, een mogelijk eerste stap in het vernieuwen van een muzikale taal, syntaxis of vorm die bekend was of waarvan aangenomen kon worden bekend te zijn.

De volgende stap is om het nieuwe materiaal verder te ontwikkelen als een essentieel onderdeel van de syntaxis die ten grondslag ligt aan de betreffende muzikale taal. Dit kan dan weer leiden tot nieuwe muzikale concepten.

Dit proces van introduceren, verrassen, opnemen en ontwikkelen is een proces waarbij actanten wordt gevraagd een oplossing te bedenken voor een muzikale verrassing, een “destabilisatie”, met als gewenste uitkomst een nieuw muzikaal verwachtingspatroon te creeren.

Compositie en improvisatie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: compositie kan worden gezien als een grotendeels gestabiliseerde vorm van improvisatie en improvisatie als een grotendeels gedestabiliseerde vorm van compositie.

Een muzikale improvisatie, als proces en product, is daarbij wel onvoorspelbaarder dan een bestaande muzikale compositie.

Bij zogenaamde vrije improvisatie zijn er immers geen tekens of instructies op papier of anderszins.

De mate waarin luisteraars en improvisatoren muzikale improvisatie als onvoorspelbaar of verrassend ervaren, hangt af van hun luisterervaring, kennis, vaardigheden, intenties, verwachtingen en motivaties, interactie tussen de acteurs en overeenkomsten, voorwaarden en beperkingen bepaald door culturele achtergrond, stijl, vorm en inhoud van het materiaal en de omgeving.

Peter Van Heyghen. De uitvoering van vroeg 17e eeuwse Italiaanse Blokfluitmuziek.

Dit doctoraal onderzoeksproject spitst zich toe op de periode tussen ca. 1600 en ca.1670, een tijdperk van de Europese muziekgeschiedenis waarbinnen Italiaanse componisten en uitvoerders het voortouw namen in de ontwikkeling van nieuwe compositietechnieken, muzikale genres en uitvoeringswijzen. Aangezien ad libitum praktijken, inclusief een zekere mate van vrijheid inzake instrumentatie, vrij gangbaar waren, werd een gedeelte van het repertoire – zowel madrigalen, motetten, canzona’s, sonates, ritornello’s en dansen – regelmatig uitgevoerd door blokfluitisten, zowel professionelen als amateurs, zowel in Italië als daarbuiten.

Toch vormde de periode in kwestie geenszins een hoogtepunt in de geschiedenis van de blokfluit. Alhoewel er wel degelijk voldoende aanduidingen zijn die erop wijzen dat de blokfluit overal in Europa bespeeld bleef, is het ook duidelijk dat het instrument een minder prominente rol was toebedeeld dan tijdens, bijvoorbeeld, de late 16de of de vroege 18de eeuw. Minder muziek werd specifiek voor blokfluit geschreven, een relatief klein aantal instrumenten bleven bewaard en er waren slechts een handvol relevante vermeldingen in literaire bronnen. Inzake blokfluitbouw hebben we hier bovendien te maken met een overgangsperiode, een periode waarin bouwers volop experimenteerden en diverse methodes uitprobeerden bij het omvormen van de min of meer gestandaardiseerde 16de-eeuwse blokfluitmodellen tot het klassieke driedelige concept dat overal in Europa zijn intrede deed op het einde van de 17de eeuw.
Italiaanse “Vroeg Barokmuziek” oefent een grote aantrekkingskracht uit op hedendaagse blokfluitisten. Intussen vormt deze muziek zelfs een vast onderdeel uit van het repertoire. Maar in het licht van de vele hierboven vermeldde historische onduidelijkheden dringen zich toch twee belangrijke vragen op:
1. Welke muziek precies werd er als passend ervaren om op blokfluit te worden uitgevoerd?
2. Welke afmetingen en types van instrumenten werden er gebruikt?

Een grondige studie van historische traktaten inzake muziektheorie en uitvoeringspraktijk, een zorgvuldig onderzoek van in diverse Europese musea bewaard gebleven instrumenten, en het geduldig doorzoeken van tal van muziekbibliotheken zouden me moeten in staat stellen om onderbouwde antwoorden te vinden op deze vragen in de vorm van nieuw ontwikkelde instrumententypes – naast blokluiten ook basviool, klavecimbel en orgel – en een putatieve repertoirelijst.

Andreas Van Zoelen. Eigenschappen en ontwikkeling van het klassieke saxofoongeluid binnen diverse tradities, in historisch perspectief.

De eerste fase van mijn onderzoek zal de oorspronkelijke instrumenten uit het atelier van Adolphe Sax betreffen. Allereerst wil ik de historisch correcte speelwijze in kaart brengen door het bestuderen van traktaten geschreven door tijdgenoten van Adolphe Sax. Het bekendste voorbeeld van een dergelijke bron is de “Méthode complète et raisonnée de saxophone” van Jean-Georges Kastner. Deze informatie kan ik direct praktisch vertalen naar de instrumenten uit mijn collectie. Daarnaast wil ik exact vaststellen hoe de parabolische curve, de ‘cône parabolique’ die Adolphe Sax zo belangrijk achtte, terug te vinden is in zijn saxofoons. En verder, hoe heeft deze bouwwijze zich in de instrumenten van Sax ontwikkeld? Stoelen de laatste saxofoons die Adolphe Sax bouwde op het toepassen van aanpassingen, voortschrijdend inzicht? Daartoe zal ik verschillende meetmethoden toepassen, zoals MRI.

Vanuit die informatie wil ik de verschillende mondiale saxofoontradities identificeren. Naast het typeren en uiteenzetten van de ontwikkeling van deze tradities, wil ik opzoeken wat de verwantschappen zijn tussen de oorspronkelijke bouw van de instrumenten van Adolphe Sax, en de instrumenten die de diverse tradities gebruiken. Verschillende recent verworven beeld- en geluidsopnames van de pioniers zullen hiervoor de basis zijn. Verder wil ik op zoek naar dwarsverbanden tussen genoemde tradities. Naast het inzichtelijk maken van deze informatie hoop ik dat dit werk een inhoudelijke dialoog op gang brengt tussen de diverse werelden.

Tot slot wil ik een duidelijk beeld schetsen van de Nederlandse school. Hoe heeft deze zich ontwikkeld, en wat zijn de connecties met bijvoorbeeld de Franse traditie.

Al deze informatie wil ik samenvatten in een boek met bijbehorende CD, die ik tijdens een concert op uiteenlopend instrumentarium presenteer. In zijn geheel wil dit werk een duidelijke staalkaart zijn van de kleurrijke mogelijkheden die Adolphe Sax ons met zijn saxofoon heeft gegeven.

Luc Vertommen. Context, studie en ontsluiten van de muziek voor blaasorkest van de synthetisten.

Les Synthétistes was een collectief van Belgische componisten die zich verenigden in 1925 naar aanleiding van de zestigste verjaardag van hun gevierde leraar, Paul Gilson. Ze hadden de intentie om verschillende tendensen die zich voordeden in de muziek vanaf 1925 te synthetiseren.
"Couler dans des formes bien définies, bien équilibrées, tous les apports de la musique actuelle, sythétiser" (Gaston Brenta).

De leden van deze groep waren René Bernier (1905-1984), Francis de Bourguignon (1890-1961), Gaston Brenta (1902-1969), Théo De Joncker (1894-1964), Robert Otlet (1889-1948), Marcel Poot (1901-1988), Maurice Schoemaker (1890-1964) en Jules Strens (1893-1971). In deze periode uit de Belgische muziekgeschiedenis was het harmonieorkest een belangrijke hulp voor componisten, vooral omwille van het ontbreken van een professioneel symfonisch orkest buiten dit van de Nationale opera. Aangemoedigd door hun mentor, Paul Gilson en met de steun van Arthur Prevost (dirigent van de Koninklijke Muziekkapel van de Belgische Gidsen), componeerde de Synthetisten een aanzienlijke canon van originele symfonische werken voor harmonieorkest.

Dit onderzoek bestaat uit drie facetten, elk met hun eigen methodiek en onderzoeksmethode. Eerst en vooral zal een theoretisch en contextueel onderzoek leiden naar een grondige studie van het leven en de werken voor blaasorkest van Marcel Poot, de belangrijkste protagonist van de Synthetisten. Door onderzoek van (tot nu toe nog onontgonnen bronnen) en aanzienlijk onderzoek dat door de doctorandus reeds werd verricht zal een nauwgezette biografie en definitieve werkenlijst van Marcel Poot’s werken voor blaasorkest worden samengesteld.

Ten tweede zal specifiek wetenschappelijk onderzoek naar identificatie van data en bronnenmateriaal streven naar het samenstellen van een volledige lijst met originele werken voor blaasorkest gecomponeerd door alle componisten van de Synthetisten.  Tot nu toe werden al meer dan zestig originele werken uitgekozen omwille van hun intrinsieke muzikale waarde en hun internationaal en historisch belang.

Ten derde, en tevens het zwaartepunt van dit doctoraat, zal praktijkgericht artistiek onderzoek leiden naar het redigeren en uitgeven van de geselecteerde werken. Nadat de onderzoeksresultaten van de eerste twee fases verzameld en vergeleken kunnen worden, zal de uiteindelijke informatie leiden tot een kritische uitgave van voorheen onuitgegeven Belgische muziek. Door opname en uitvoeringen tijdens concerten van dit voorheen onbekende repertoire zal de kennis en het begrip voor dit verwaarloosde onderdeel van de Belgische muziekgeschiedenis groeien.

Deze studie tracht om nieuwe inzichten te brengen in de ontwikkeling en de historische betekenis van de Belgische muziek met de nadruk op de muziek voor harmonieorkest en zijn aanzienlijke internationale relevantie. Het uiteindelijke doel is een brede muzikale interesse te genereren en de studie en uitvoering van dit repertoire te stimuleren bij andere dirigenten, muzikanten en onderzoekers.

Tomma Wessel. Instrumentenportret blokfluit.

Dit onderzoek focust op de speeltechnieken en verschillende types van de uitgebreide instrumentenfamilie van de blokfluit. De akoestische eigenschappen, hun repercussies op de klankproductie en nieuwe klankmogelijkheden staan centraal. De verwerking van de resultaten leidt tot een helder conceptueel kader. Uitgebreide klank- en videovoorbeelden dienen als illustratie van het diepgaande onderzoek. Het resultaat zal een voor componisten en spelers toegankelijke website zijn.

Barbara Wiernik. Contemporary Vocal Jazz. An artistic cartography of European encounters.

De vraag of er een artistieke stroming is, een “school” van vocale jazz die niet enkel gebaseerd is op de Amerikaanse traditie, werd nooit helemaal beantwoord door jazz muzikanten. Daarom zou ik willen uitzoeken in welke mate onze omgeving ons artistiek definieert, of er meer Europese stromingen bestaan en wat de belangrijkste zijtakken zijn.

Omdat ik zelf muzikante ben, vindt mijn methodologie zijn oorsprong in de artistieke praktijk. Ik plan daarnaast een onderzoek dat vertrekt van gefilmde ontmoetingen met een aantal Europese sleutelfiguren (zangers, instrumentalisten, journalisten) met wie ik in gesprek ga over hun perceptie over de hedendaagse vocale jazz en de rol van de jazz zanger/zangeres.

Ik zal een website ontwikkelen met documentatie en analyses. Er zal ook een classificatie opgenomen worden waarbij zangers volgens bepaalde criteria ingedeeld worden: welke jazz stijl hun definieert, de plaats van vocale improvisatie, de vrijheid van melodische interpretatie, externe invloeden … Dit zal uitmonden in een soort van levende cartografie van vocale jazz trends in Europa.

Ik wil ook verschillende bestaande of nieuwe artistieke projecten onderzoeken, die nauw verbonden zijn met mijn onderzoeksproject en het kunnen voeden: projecten rond stem en improvisatie die diverse aspecten van jazz in beschouwing nemen. Door het integreren van invloeden en (im)migraties van moderne vocale jazz, wordt in deze Europese cartografie een maximum aantal muzikale scala's geëxploreerd.

Onderzoekers aan KCB en hun onderzoek:

Michel Bisceglia. Onderzoek originele filmmuziek voor het project Charlotte

Onderzoek en ontwikkeling naar methodes en technieken voor de creatie van een soundtrack met een originele identiteit, onlosmakelijk verbonden aan het verhaal en stijl van de film. Hierbij worden de verschillende lijnen van de compositie en van de rol van de soundtrack in het geheel van de film maar ook van de hedendaagse positie van de componist in detail onderzocht. 

Voor de componist is het hierbij belangrijk om vanuit expertise en context te komen tot het creëren van de nodige muzikale elementen die bepalend zullen zijn voor het definiëren van de persoonlijkheden van de verschillende hoofdpersonages, de historische context en culturele aspecten en de setting van de verhaallijn. De gebruikte elementen moeten ook evolueren en muteren naarmate het verhaal zich ontwikkelt. 
De soundtrack omvat ook de ontwikkeling van origineel klanktextuur en een sound design vanuit een muzikaal oogpunt. Deze zullen het muzikaal karakter bepalen, maar kunnen zich ook in een andere functie eerder thematisch profileren.

De nieuwe klanktextuur en sound design zullen harmonieus vermengen in een klassiek orkest maar mogelijk ook tegengesteld manifesteren en of contrasterend gebruikt worden. 

Dankzij mijn muzikale professionele loopbaan en ervaringen van meer dan 30 jaar zeer actief in de internationale muziekindustrie, (pianist, componist, dirigent, arrangeur, orkestrator, elektrisch sound design, producer, music director) heb ik geheel eigen technieken, systemen en methodieken ontwikkeld en kunnen toepassen in de meest uiteenlopende producties. 

De meerdere internationale erkenningen die ik heb mogen ontvangen o.a. de World Soundtrack Award in 2014 als filmcomponist, hebben me de kans gegeven om mee te draaien op internationaal niveau. 

Graag wil ik met dit onderzoeksproject verder zoeken naar nieuwe benaderingen, inzicht en toepassingen en meteen inzetten in deze internationale filmproductie. Met veel genoegen en enthousiasme wil ik mijn ervaringen en kennis delen met collega’s en studenten.
 

Giacomo Danese. Het compositorisch denken van Th. W. Adorno. Van een reconstructie van de partituur van de Klavierlieder opus 3 naar een kritische benadering van het twaalftoons serialisme

Adorno's theorie en filosofie speelt een niet te onderschatten rol in de uitdraging en promotie van Schönbergs werk en van zijn studenten. Als geëngageerd  theoreticus en als componist ietwat een outsider in de Tweede Weense School vóór en na de Tweede Wereldoorlog, is Adorno's denken een vitale aanzet om het debat binnen en buiten de Weense School te overbruggen.

Aanknopend bij de nieuwe interesse voor Adorno wil dit onderzoeksproject een minder ontgonnen sector van zijn werk analyseren, namelijk zijn composities, en eveneens zijn kritische houding tegenover de dodecafonie en het serialisme na de Tweede Wereldoorlog onderzoeken. 
Het project is tweeledig. Een eerste deel zet het vroegere onderzoek van de auteur naar Adorno's composities verder, met focus op de reconstructie en publicatie van de Vier Lieder für eine mittlere Stimme und Klavier op.3, één van zijn belangrijkste liedcycli (Wenen/Frankfurt 1925-1928).

Het tweede deel is van historische en esthetische aard. Bedoeling is de dialectische blik op de dodecafonie en de ontwikkeling van het serialisme te vatten die opduikt in de publicaties en discussies van de protagonisten, outsiders en andere prominente persoonlijkheden van de muziekscene vóór en na de Tweede Wereldoorlog.
 

Roel Das. Het gebruik van hardware en de modulaire synthesizer als educatieve tool binnen de opleiding van uitvoerders van elektronische muziek

De computer heeft in de laatste 30 jaar een enorme ontwikkeling gekend en heeft ondertussen de mogelijkheid om op een zeer kostefficiënte manier de meeste denkbare audiobewerkingen in realtime uit te voeren. Vanzelfsprekend is de computer dan ook het meest voor de hand liggende instrument voor het uitvoeren van muziekelektronica.

Als pedagogische tool heeft de computer echter ook beperkingen. De interface werkt niet altijd intuïtief; om een werkbaar instrument te creëren moet een controller aangesloten worden waarvan de functionaliteit vervolgens gelinkt moet worden naar (zelf gekozen) parameters. Om hier intuïtief mee om te gaan is een voorkennis vereist die bij onervaren leerlingen niet aanwezig is. Een instrument dat door een leerling zelf op de computer gecreëerd wordt, verliest hierdoor al snel flexibiliteit en geeft minder ruimte voor experiment.

Daarnaast is met software bijna alles mogelijk. Dit klinkt fantastisch, maar hoewel een leeg blad artistiek zeker zijn waarde heeft, is ons artistieke onderwijs traditioneel gebouwd op het uitvoeren van taken binnen een aantal opgelegde beperkingen. Leerlingen verliezen snel het doel uit ogen binnen de immense speeltuin die de computer aanbiedt. 

Bij modulaire synthesizers heeft elke bouwsteen een eenvoudige en eenduidige functie. De leerlingen leren de basisbouwstenen kennen, leren denken vanuit een ‘black box’ idioom met complexere modules en worden aangestuurd om deze tools als input te gebruiken binnen hun creatieproces.

De vraag stelt zich of leerlingen vanuit het werken met deze hardware hun muzikale vocabularium en kennis kunnen uitbreiden, zodat deze zich vertalen in het werk dat ze creëren op de computer. Leren ze vanuit hun werk in deze verschillende leefwerelden het instrument overstijgen en de creatie sturen vanuit een klankbeeld, eerder dan de techniciteit?
 

Tom De Cock. Specifiek hedendaags repertoire voor slagwerk

Het onderzoeksproject van Tom De Cock zoomt in op specifiek hedendaags repertoire voor slagwerk. De onderzochte composities uit het 20ste en 21ste repertoire, worden geanalyseerd vanuit een performers-perspectief. Daarnaast wordt elk werk voorzien van zowel technische, praktische als interpretatieve ondersteuning en richtlijnen. De output van dit onderzoeksproces wordt gepubliceerd op het online platform Living Scores Learn (www.living-scores.com/learn), dat dient als een internationale open-source database en een platform waar kennis op gedeeld wordt voor slagwerkstudenten van over de hele wereld. De master studenten van het Koninklijk Conservatorium Brussel worden betrokken bij dit onderzoeksproject door middel van audio en video opnames van de onderzochte composities. Deze opnames, die gemaakt worden door de studenten onder begeleiding van Tom De Cock, worden als referentie aan het platform toegevoegd.

De artistieke output van dit onderzoeksproject is tweeledig: enerzijds dienen de onderzochte werken, die jaarlijks worden uitgekozen binnen het Living Scores traject, als  artistiek uitgangspunt, inspiratie en formele basis voor co-composities met componist-performers als Benjamin Van Esser, Frederik Croene, Cédric Dambrain, Joris Blanckaert, Ruud Roelofsen, Andrea Mancianti, Eva Reiter, etc. Anderzijds is er ook een verdere uitwerking van de Micro-Percussion Hybrid Setup, het instrument dat De Cock ontwikkelde binnen het kader van een FRArt beurs in Luik in 2019-2020. Het instrument wordt in functie van het artistieke process van de co-creaties verder ontwikkeld en verfijnd. Dit deel van het onderzoek wordt aanvullend ondersteund door Ictus en ChampdAction en zal publiek voorgesteld worden op de Belgische podia tijdens de komende seizoenen.

Jurgen De Pillecyn. De Traité d'harmonie van Paul Gilson (1865 - 1942) als artistiek credo

Sedert het verschijnen van de biografie over Paul Gilson van Gaston Brenta (1926, 1965) werden er verschillende bijdragen gewijd aan het belang van Gilson in het Belgische muziekleven. Deze zijn vooral van muziekhistorische aard. Over zijn muziektheoretische geschriften is er evenwel nog niet veel gepubliceerd. Meer recentelijk verschenen er enkele bijdragen die echter vooral op de blaasmuziek van Gilson focussen. Een grondige studie van Gilsons pedagogische visie ontbreekt voorlopig nog. Het moet gezegd dat hier niet alleen het gebrek aan beschikbaar origineel studiemateriaal, de publicaties (of manuscripten) zélf, de oorzaak daarvan is. Gilsons theoriewerken werden niet herdrukt en zijn nu moeilijk op te sporen of te consulteren. Helaas zet de commentaar in naslagwerken bij het lemma ‘Gilson’ niet altijd aan tot verdere studie van zijn pedagogisch werk, dat afgeserveerd wordt als ‘verouderd’, ‘droog’, ‘conservatief’. In deze studie wordt nader ingegaan op wat men de basisconstituante van Gilsons componeren noemen mag, de harmonie en het belang van de akkoordverbindingen voor andere muzikale parameters. Om de originaliteit van Gilsons concept beter af te kunnen toetsen wordt zijn visie naast die van andere belangwekkende componist -theoretici gelegd, in het bijzonder naast die van Vincent d’ Indy (1851 -1931) en Charles Koechlin (1867-1950). Ook zijn houding tegenover enerzijds het academisme van het klassieke harmonieonderricht en het modernisme van de prille twintigste eeuw wordt onder de loep genomen, met bijzondere aandacht voor Gilsons inschatting van Claude Debussy.

Vooral in de Traité d’ harmonie (1919 -1926) lijkt Gilsons pedagogische en compositorische visie gekristalliseerd te zijn. Nagegaan wordt hoe hij de harmoniestudie opbouwt, welke methode hij aanwendt bij de aanbreng van nieuwe stof. Ook de actualiteitswaarde wordt onderzocht. Bijzondere aandacht gaat naar de oefeningen voor de student, waar Gilson hamert op een klare tonale onderbouw met evenwel veel ruimte voor vernieuwing, vooral bij de aanpak van de klassieke bas- en sopraanopgaven. Niet alleen de rijkdom aan muziekvoorbeelden of de kwistig gedeelde eruditie van de auteur verbazen. ook de innovatieve inkleding van de studie van de tonale harmonie (bijvoorbeeld bij de behandeling van de modulatie of parallellismen) verdient hernieuwde appreciatie. Zonder revolutionaire ambities te koesteren slaagt Gilson er toch in om het klassieke muzikale erfgoed in een nieuw licht te stellen. Een nieuw en boeiend licht, maar ook met oog voor de toekomst. Indien, zoals Arnold Schoenberg zegt, vooruitgang bestaat in de ontwikkeling van methodes om iets aan te brengen, dan is het hoog tijd om Gilsons belang als pedagoog en theoreticus te herbekijken.
 

Philippe Graffin. 'Mon-ton poème', een blik op de onafgewerkte samenwerking tussen Eugene Ysaye en Ernest Chausson voor diens gedicht op. 25

Het gedicht van Chausson Op. 25 is een werk dat ik sinds mijn jeugd heb lief gehad en gespeeld. Het is van bijzonder belang in het vioolrepertoire, vrij van de sonatevorm van een concertoformaat. Nadat ik dit stuk had bestudeerd met de heer Gingold (die het zelf bestudeerd  had met de mede-auteur Eugene Ysaye), die mij de genres en enkele van de verborgen geheimen ervan heeft uitgelegd, heb ik vervolgens mijn eerste opname gemaakt met Lord Menuhin als dirigent (die op zijn beurt leerling was geweest van Georg Enesco). Ik vond toen een vergeten ongepubliceerde versie voor strijkkwartet , piano en viool , vergelijkbaar in instrumentatie met het Chausson Concert op 21 dat eerder geschreven werd. 

Mijn onderzoek is er dus op gericht om al deze verschillende originele bronnen in één uitvoering samen te brengen , informatie toe te voegen van Ysaye's eigen versie met orgel , en het verhaal achter het stuk te vertellen. Dit zal, hopelijk, resulteren in een film en  in een partituur. 
Mijn vorig onderzoek naar Ysaye en de nieuw ontdekte sonate posthume , resulteerde in een gepubliceerde partituur (schott in Mainz 2020).
 

Jan Michiels. Een Proustiaanse camera obscura.

Met zijn doctoraal project – Teatro dell’Ascolto – als startpunt, bouwt Jan Michiels verder aan de exploratie van zijn pianistiek repertoire met de oren van Luigi Nono’s Prometeo : “Luister ! Noem je waarheid die nauwe opening die voor één enkel moment het licht doorlaat ?”.
Een nieuw perspectief in zijn zoektocht is de ervaring van tijd en geheugen in het brein van een musicus, gezien en gehoord door de lenzen van Proust’s ‘A la recherche du temps perdu’. Momenteel werkt hij aan een Proustiaanse Camera Obscura voor muziek – een metaforisch hulpmiddel voor luisterende en uitvoerende mensen – met repertoire van Bach tot vandaag.
 

Bart Quartier. 'Music is the space between the notes' (Claude Debussy)

Deze quote werd als doel vooropgesteld bij de vorige research: ‘Dialogue’ 24 variations for marimba. Hoe vertaal ik de verticale bewegingen eigen aan percussie in de horizontale eigenschap van een legato, frasering? Elke research is een antwoord op het vorige en een vraag naar de volgende: Waar vinden we de relatie tussen de verticale bewegingen en het ritme, timing, ‘the space between notes‘? Als antwoord word er naar bronnen gezocht in de muziek waarin grooves het hoofdbestanddeel vormt. Zo ontstaat ‘Move’ 12 Grooves for marimba.

Bronnen zijn verschillende muziekstijlen in verschillende culturen: De  oorsprong van de muziek vinden we terug in de Aka: stammen uit Afrika.  De immens complexe structuren van de klassieke muziek in India: konnakol, begeleid door de tala en tabla. De immens lange structuren in de Iraanse muziek op tombak. Las palmas en el cajón in de Flamenco uit Andalucia. De enorme verscheidenheid aan ritmes in Centraal Amerika en Brazilië is niet weg te denken zonder de conga’s, claves, surdo in de rumba, salsa, bossa nova...

Deze bronnen aangevuld met een podiumervaring met Trilok Gurtu (tabla, India) Doudou ’n Diaye Rose, (sabar, Senegal), Mamady Keïta (djembé, Guinea), Madjid Khaladj (tombak, Iran), Vina Lacerda (pandeiro, Brazil) vormen een solide basis om dit project te verwezenlijken. Het onderzoek concretiseert zich in de vertaling van deze bronnen naar composities op marimba voor studenten van intermediair niveau.   

Viviane Spanoghe. Ten onrechte vergeten parels van Frans repertoire voor cello en piano, tijdgenoten van Claude Debussy, gelinkt aan de cellisten aan wie ze werden opgedragen

Viviane Spanoghe werkt met pianist Jan Michiels aan een CD met sonates van zelden gespeelde of zelfs ongekende werken van Franse tijdgenoten van Claude Debussy. Etcetera zal ook deze CD uitbrengen en internationaal verspreiden.

Naast het ontdekken en instuderen van deze prachtige, krachtige partituren, wil Spanoghe ook nagaan wie de cellisten waren aan wie deze werken werden opgedragen, in welke mate de historische context van toen, de composities en dus onze interpretatie (kunnen) beïnvloeden.
Viviane Spanoghe wil deze werken graag hun meer dan verdiende bekendheid geven en laten insijpelen tot het huidige repertoire en programmatie.

De release van de CD is voorzien voor najaar 2021.
 

Koenraad Sterckx. De e-scores van Hans Swinnen.

Componist en arrangeur Hans Swinnen (1941-2017) liet een waardevolle elektronische muziekbibliotheek na, bestaande uit eigen composities, bewerkingen en transcripties. Het oudste deel van deze collectie is echter niet meer leesbaar door de huidige generatie computers vanwege de talloze updates die de gebruikte muzieknotatiesoftware onderging sinds de jaren '90.

In het eerste luik van dit project zal getracht worden de collectie te vrijwaren van verder verval of verlies. Hiervoor zal een werkomgeving gecreëerd moeten worden waarin de oude software weer kan draaien, om vervolgens de partituren op te slaan in een standaardformaat uit de archiefwereld zoals PDF. In een aantal gevallen zal een reconstructie van verloren gegane muziekpassages allicht noodzakelijk zijn.
Het tweede luik van het project heeft als doelstelling de partituren toegankelijk te maken voor musici, met respect voor auteurs- en nevenrechten. Ook zal er getracht worden zelf uitvoeringen te realiseren van de muziek.

Ten slotte zal het project ook gedocumenteerd worden op het onderzoeksplatform van de bibliotheek om te dienen als prototype voor gelijkaardige projecten die e-collecties digitaal trachten te conserveren.
 

Maarten Stragier. Het hedendaagse functioneren van de componist-partituur- performer structuur in de klassieke Westerse traditie en de geïmpliceerde noties van creatief eigendom 

Mijn onderzoek focust op het hedendaagse functioneren van de componist-partituur- uitvoerder structuur in de klassieke Westerse traditie, en de daardoor geïmpliceerde noties van creatief eigendom. Ik voer dit onderzoek langs 2 sporen.

Het eerste spoor bestaat uit case studies van muziek die geschreven werd in de voorbije halve eeuw. Ik ben in het bijzonder geïnteresseerd in werken waarvan de realisatie de notie van auteurschap problematiseert, en in werken die vragen oproepen bij het gebruik van de partituur als massareproductiemiddel.

Het tweede spoor bestaat uit experimenten met materiële condities die de grenzen tussen de rollen van componist en performer doen verschuiven en vervagen. Deze experimenten vormen een onderdeel van lange-termijn samenwerkingen met andere muzikale creatoren, en hun uiteenlopende effecten zijn onderwerp van continue analyse.

Rudy Van der Cruyssen. Explore, Burn, Perform: Blended Learning for Rhythm & Intonation 

Het onderzoeksproject Explore, Burn, Perform: Blended Learning for Rhythm & Intonation is een onderzoeksproject naar het optimaliseren van artistieke kennisprocessen, -praktijk en -transmissie. Het stelt zich tot doel een begeleiding op maat van elke student te realiseren via een integrale benadering teneinde hogere slagingskansen te genereren voor de student. Daarbij wordt onderzocht hoe de optimalisering van een digitaal leerplatform een antwoord kan bieden op de specifieke leervraag en -behoefte van de student in een artistieke muzikale praktijk. Daarnaast wordt gewerkt aan het inbedden van een flexibilisering van het leertraject in kwaliteit, kwantiteit, tijd en ruimte teneinde de student kans te geven zelf meer invulling te geven aan zijn / haar persoonlijk traject, evenals praktijk of kennis op te doen door de externe leerkransen via Blended Learning.

Benjamin Van Esser. Communicatie tussen uitvoerder en publiek in computer gebaseerde uitvoeringspraktijk 

De communicatie tussen uitvoerder en publiek kan gemakkelijk worden omschreven als één van de grootste (en daardoor meest besproken) problemen waarmee een hedendaags computermuzikant wordt geconfronteerd tijdens live concerten. Dit kan men toeschrijven aan een dissociatie tussen de uitvoeringsgestiek en de klanken die zij (al dan niet) teweeg brengt. Deze ontkoppeling, die afwezig is bij de meeste traditionele instrumenten, is intrinsiek aan het instrument van een computermuzikant. Hiernaast is de ‘vorm’ het instrument onlosmakelijk verbonden aan de idiomatische aard van de composities die erop worden uitgevoerd.

Hoewel het onmogelijk is om keuzes, met betrekking tot de vorming van het instrument, los te zien van het compositorisch idioom, heeft het instrument eveneens een onmiskenbare invloed op de mogelijkheden inzake de esthetiek van de composities. Deze patstelling is een alomtegenwoordig feit voor de computermuzikant, die een evenwicht tussen alle aanwezige factoren nastreeft, om zo veel mogelijk artistieke vrijheid te bekomen als mogelijk. Dit verschijnsel vindt zowel plaats binnen de context van de ‘compositie’ van het instrument als op de muzikale taal die wordt toegepast tijdens creatie.

Benjamin Van Essers onderzoek is gebaseerd op de notie dat iedere computermuzikant een ‘multi-threaded performer’ is, die artistieke micro-universa creëert, waarin uitvoering, creatie en ‘digital lutherie’ onlosmakelijk verbonden zijn. Hieruit komt voort dat de oplossing voor het hierboven vermelde probleem rond de communicatie tussen uitvoerder en publiek, gevonden kan worden in een evenwicht van deze verschillende actoren. De output voor dit onderzoeksproject is zeer breed, gaande van live electronics en multimedia performances tot composities voor elektronische/elektroakoestische bezetting en de creatie van muzikale computerprogramma’s.
meer informatie: www.benjaminvanesser.be
 

Annelies Van Parys. Muziektheatraliteit maximaliseren in een niet geënsceneerde context.  

Bij (orkest)liederen denken we vaak aan eerder poëtische of evocatieve teksten. Toch zijn er ook werken die kiezen voor een theatraler insteek. Deze benadering vormt het uitgangspunt van mijn onderzoek: exploreren wat binnen mijn specifieke muzikale taal de mogelijkheden zijn om zonder enscenering toch een maximale muziektheatraliteit te verkrijgen, en wat hiervoor de ideale creatieprotocollen zijn.

Om dit te onderzoeken maak ik een aantal nieuwe composities, waarbij ik met telkens andere manieren van creatie en co-creatie wil experimenteren. In een eerste werk vertrek ik vanuit een experiment met co-creatie om tot een nieuw werk te komen. Tegelijkertijd breng ik de invloed van dit werkproces op de resulterende compositie in kaart. Wat is de impact van dit specifieke samenwerkingsprotocol op de synergie van de verschillende onderdelen, en hoe beïnvloedt deze interactie mijn muzikale taal? Helpt deze methode om tot een meer coherente en interactieve muziektheatrale dramaturgie te komen en zo ja, hoe?

Als tweede, meer gerichte, casus ontwikkel ik een korte kamermuzikale eenakter, waarbij de samenwerking zich toespitst op de interdisciplinaire samenwerking tussen tekst en muziek en hun onderlinge wisselwerking. Hoe kan dit proces optimaal verlopen om tot een ideale interdisciplinaire dramaturgie te komen, en zo de theatraliteit van het resultaat te verhogen? De bevindingen van mijn onderzoek naar werkmethodes bij deze beide voorbereidende composities zullen nadien als basis dienen voor de compositie van een orkestraal lied dat als inzet heeft een volwaardig muziektheatraal gevoel over te brengen zonder enscenering.
 

Stefaan Verdegem: Twelve Leipzig Oboes of the Bach Era Reconsidered

(Artikel voor The Galpin Society Journal (Oxford) momenteel in peer review, publicatie in 2021 / opname voorzien in 2021 / Prototype kopie van een instrument voorzien in 2021)

Sinds de oude muziek-revival van de vorige eeuw zijn musici op zoek naar geschikte historische instrumenten – hetzij originelen hetzij kopieën. In tegenstelling tot de HIPP- principes (Historically Informed Performance Practice) wordt vaak de voorkeur gegeven aan all-round houten blaasinstrumenten met stemtoon A=c.415Hz, om hiermee het hele barokrepertoire te kunnen spelen. Alhoewel heden ten dage Johann Sebastian Bach de meest uitgevoerde barokcomponist is, spelen tot op de dag van vandaag de meeste hoboïsten wereldwijd zijn muziek op een kopie van een Engelse Stanesby hobo. Het kopiëren van hobo’s uit Leipzig blijkt tot op heden niet helemaal succesvol, om verschillende redenen. Een studie van de overlevende hobo’s uit Leipzig uit de tijd van Bach, en een vergelijkende studie van de afmetingen hiervan, leverde nieuwe inzichten op over de houtblaasinstrumentenbouw in deze stad in het tweede kwart van de achttiende eeuw, en zal hopelijk uitmonden in een goede kopie van een Bach-hobo die voldoet aan de hedendaagse kwaliteitsvereisten voor concertuitvoeringen en opnames. 
 

Stefaan Verdegem. Donizetti en het Concertino voor Engelse hoorn

Gaetano Donizetti's Concertino voor Engelse hoorn (1816) is waarschijnlijk het belangrijkste negentiende-eeuwse concerto voor dit specifieke instrument en zeker het meest uitgevoerde. Vijftig jaar na de editie van Robert Meylan (Litolff / Peters) op basis van de autograaf partituur in de Bibliothèque Nationale de France, moest het bronmateriaal opnieuw worden bekeken, wat resulteerde in een nieuwe kritische editie van dit stuk. Niet alleen wordt dit stuk in een andere toonsoort uitgevoerd, bovendien vertoont het partijenmateriaal voor de première van 19 juni 1817 in het Liceo Filarmonico te Bologna vele correcties en variaties, en geven ze interessante inzichten in de uitvoeringspraktijk van die tijd, inclusief uitgeschreven cadensen, waarschijnlijk van de hand van de solist en dedicatee Giovanni Catolfi.

Stefaan Verdegem. Een Mattheuspassie met Wagneriaanse Allurs- Bachs meesterwerk in de versie van François-Auguste Gevaert in 1896

De uitvoeringen van Bachs Mattheuspassie in het Conservatoire Royal de Musique de Bruxelles in 1896 vormden een hoogtepunt in de Brusselse Bach-revival die 25 jaar eerder onder de directeur van het Conservatorium François-Auguste Gevaert (1828-1908) was begonnen. Naast de uitgebreide pers, archieven en literatuur over deze gebeurtenis, geven Gevaerts handgeschreven partituur en orkestmateriaal, evenals de gepubliceerde vocale partituur, een gedetailleerd beeld van de uitvoeringspraktijk van Bachs muziek op het einde van de 19e eeuw. Het werpt ook een ietwat ander licht op Gevaert - die bekend staat als bewerker van meesterwerken - en zijn visie op de authenticiteitskwestie.

Boyan Vodenitcharov. Improvisatie in de context van klassieke muziek vandaag

 In het algemeen onderschrijf ik het door velen gedeelde idee dat improvisatie compositie in real time is, waarbij ik mij natuurlijk bewust ben van de aanzienlijke verschillen tussen beide processen. Hoewel improvisatie voor mij ontegenzeggelijk de verbinding vormt tussen het compositorische en het instrumentale aspect van muziek maken.
Improvisatie is tot het einde van de 19e eeuw een van de belangrijkste vormen van muziekonderwijs geweest. De terugtrekking ervan uit de klassieke muziek en uit het onderwijs heeft rampzalige gevolgen gehad: totale scheiding tussen theoretische kennis, compositie en instrumentale uitvoering; hyperspecialisatie die leidt tot versnippering van de muzikale opvattingen en gebrek aan volledigheid; stilistisch onbegrip, wantrouwen en angst voor de hedendaagse muzikale talen. De scheiding tussen compositie en uitvoering is door velen betreurd, met name door Glen Gould, die beweerde dat de bovengenoemde scheiding een van de grootste catastrofes in de muziekgeschiedenis is. Naar mijn mening zou improvisatie zijn weg terug kunnen en moeten vinden in het muziekonderwijs - ik ben ervan overtuigd dat dit gunstig zou zijn voor zowel componisten als uitvoerders.