Onderzoeker in de kijker: María González Calvo
De kunst van de basso continuo herontdekt: María González Calvo over dissonantie, vrijheid en historische bronnen
Klavecimbeliste María González Calvo behaalde onlangs haar doctoraat aan het Koninklijk Conservatorium Brussel. In haar onderzoek verdiepte ze zich in een fascinerend maar vaak onderbelicht aspect van de uitvoeringspraktijk uit de zeventiende en achttiende eeuw: het gebruik van mordenti en acciaccature in de basso continuo.
Deze versieringen maakten deel uit van een bredere speelpraktijk die bekendstaat als suonar pieno, letterlijk ‘volstemmig spelen’. Daarbij creëerde de continuospeler een rijke klankstructuur en bood die veel meer dan louter harmonische ondersteuning. Mordenti en acciaccature werden als expressieve dissonanten in de harmonie geïntegreerd en droegen bij aan wat musici uit die tijd een ‘wonderbare volmaaktheid van de harmonie’ noemden. Voor Gonzalez Calvo draait het onderzoek niet om het reconstrueren van een vast historisch recept, maar om het herontdekken van muzikale mogelijkheden die uitvoerders vandaag mogelijk uit het oog zijn verloren.
Van muziek in de familie naar het klavecimbel
Muziek maakte al vroeg deel uit van Gonzalez Calvo's leven. Ze groeide op in Salamanca, waar haar grootvader accordeon speelde en zong tijdens familiefeesten, terwijl ook haar ouders thuis zongen. ‘Muziek was voor mij iets vanzelfsprekends’, vertelt ze.
Haar keuze voor het klavecimbel was bijna toevallig. Toen ze als kind naar het conservatorium ging, was de pianoklas volzet. Ze koos aanvankelijk voor de fagot, maar was te klein voor het instrument. Een jaar later ontdekte ze het klavecimbel. ‘Het had toetsen, dus dacht ik: dat is net als een piano.’ Ze was acht of negen jaar oud en raakte al snel geboeid door het instrument.
Na haar studies in Barcelona trok ze naar Bazel, waar ze jarenlang studeerde en werkte als klavecimbeliste en begeleidster. Uiteindelijk kwam ze naar Brussel om basso continuo te doceren. Daar ontstond ook de mogelijkheid om doctoraatsonderzoek te verrichten.
De wereld van de basso continuo
Voor Gonzalez Calvo is basso continuo veel meer dan begeleiding. Tijdens haar studies ontdekte ze dat een continuospeler een groot deel van de muziek zelf vormgeeft. De baslijn biedt de basis, maar de uitvoerder bepaalt onder meer hoe de harmonie wordt gerealiseerd, hoeveel stemmen worden gebruikt, hoe de klankstructuur wordt opgebouwd en hoe de muzikanten op elkaar inspelen. ‘Als je ziet hoe ze het destijds deden, kan het even veeleisend zijn als solospel, ook op virtuoos vlak’, benadrukt ze.
De uitdaging is bovendien niet uitsluitend technisch. De continuospeler moet de andere musici vrijheid geven en tegelijk het kader creëren dat het ensemble samenhoudt. ‘Je moet het ensemble leiden, maar tegelijkertijd moet iedereen zich vrij voelen. Je hebt een kader nodig waarbinnen iedereen op elkaar kan inspelen.’
Een volle klank en aangename dissonanten
Haar doctoraat richt zich op de Italiaanse praktijk van suonar pieno, of volstemmig spelen. De rijkdom van de klankstructuur is daarbij essentieel: pas binnen een zorgvuldig opgebouwde textuur krijgen mordenti en acciaccature hun volle expressieve betekenis. ‘Eerst moet je de textuur opbouwen. Daarna kun je deze noten toevoegen’, legt ze uit. Het gaat niet simpelweg om meer noten spelen, maar om het creëren van verschillende stemmen, klankkleuren en contrapuntische relaties.
De historische benaming ‘aangename dissonanten’ lijkt voor moderne oren misschien tegenstrijdig. Toch verdwijnt die paradox wanneer je de afzonderlijke noot in de context van de volledige harmonie beschouwt. Een dissonantie die verrassend of zelfs scherp klinkt, kan perfect geïntegreerd zijn in het muzikale geheel. Deze praktijk weerspiegelt ook de veranderende muzikale taal van de late zeventiende eeuw. Met de ontwikkeling van opera en cantate gingen componisten nieuwe manieren verkennen om dissonanten te gebruiken. ‘Compositie en begeleiding gaan hand in hand’, zegt Gonzalez Calvo. ‘Wanneer de muzikale taal verandert, verandert ook de manier waarop musici die muziek begeleiden.’
Historische bronnen opnieuw leren lezen
Een van de grootste uitdagingen tijdens haar doctoraat was het begrijpen van historische bronnen in hun oorspronkelijke context. De teksten, geschreven in het vroegmoderne Italiaans, Frans en Duits, veronderstellen vaak kennis die vandaag niet langer vanzelfsprekend deel uitmaakt van een muzikale opleiding. Historische musici leerden contrapunt en improvisatie van jongs af aan en konden improviseren in meerdere stemmen. Vandaag krijgt die vaardigheid in de instrumentale opleiding veel minder aandacht.
Wat Gonzalez Calvo vooral verraste, was hoe praktisch de historische traktaten vaak zijn. Ze bevatten soms zelfs precieze aanwijzingen over welke noten je moet spelen en welke vingerzettingen je moet gebruiken. ‘De praktijk kwam eerst en werd pas daarna opgeschreven. Het is onze taak om die teksten te lezen en de kennis opnieuw naar het klavier te brengen.’
Van Cesti tot de Scarlatti's
Tijdens haar doctoraatsverdediging bracht Gonzalez Calvo muziek samen van onder anderen Cesti, Corelli, Albinoni en Alessandro en Domenico Scarlatti. Ze wilde niet één vaste versie van ‘de Italiaanse stijl’ presenteren, maar juist de evolutie ervan laten horen. ‘Domenico Scarlatti klinkt niet hetzelfde als Alessandro Scarlatti, en Alessandro klinkt niet hetzelfde als Cesti. De jaren daartussen zijn bijzonder belangrijk.’ Ook de begeleiding moet dus veranderen met de muzikale taal. Haar onderzoek helpt musici om verschillen te herkennen tussen bijvoorbeeld muziek uit de jaren 1660, 1690 en 1730, in plaats van die hele periode als één uniforme stijl te beschouwen.
Die verschillen zijn ook voor luisteraars hoorbaar. Wanneer de continuo niet wordt gereduceerd tot een opeenvolging van akkoorden, maar zorgvuldig wordt afgestemd op de stijl van de muziek, krijgt het klavecimbel een andere aanwezigheid. ‘Je weet niet noodzakelijk wat er precies gebeurt, maar plots merk je het klavecimbel op.’
Vrijheid door kennis
Volgens Gonzalez Calvo heeft haar doctoraat haar manier van spelen niet fundamenteel veranderd. Het gaf haar wel de tijd en de middelen om de historische bronnen veel grondiger te bestuderen. Dat heeft haar muzikaliteit en techniek verdiept en haar naar eigen zeggen tot een betere musicus en docent gemaakt. Tegelijk bracht het onderzoek nieuwe vragen met zich mee.
Hoe dieper ze in de bronnen doordrong, hoe meer mogelijkheden ze ontdekte. Niet alles is eenduidig te interpreteren, en ook die onzekerheid verdient aandacht. ‘Als iets bijzonder moeilijk te begrijpen is, maakt ook het documenteren van die moeilijkheid en het verklaren van de oorzaken ervan deel uit van het onderzoek.’ Voor haar zijn historische bronnen dan ook geen beperkingen voor de creativiteit. Integendeel: ze verruimen de mogelijkheden van de uitvoerder. ‘Hoe meer kennis je verwerft door de bronnen te raadplegen, hoe vrijer je wordt. Je kunt betere keuzes maken.’
Historisch onderzoek biedt zo geen verzameling regels die musici blindelings moeten volgen, maar een rijker muzikaal vocabularium. De opdracht van artistiek onderzoek bestaat er volgens Gonzalez Calvo ook in die kennis opnieuw toegankelijk te maken voor de musici van vandaag.